Terug naar het richtlijnenoverzicht
Deze multidisciplinaire richtlijn beschrijft de acute opvang en verdere behandeling van een patiënt met trombotische microangiopathie (TMA). Het snel herkennen van het ziektebeeld en de onderliggende oorzaak is van (levens)belang en het snel inzetten van behandeling is levensreddend bij trombotische trombocytopenische purpura (TTP) en kan irreversibel nierfunctieverlies bij complement-gemedieerd atypisch hemolytisch uremisch syndroom (CaHUS) voorkomen. Patiënten met TMA dienen derhalve te allen tijde met spoed geanalyseerd en behandeld te worden.
Verwarrend in de naamgeving is het feit dat de termen hemolytisch uremisch syndroom (HUS) en TTP beide het proces van trombotische microangiopathie beschrijven. In de richtlijn wordt derhalve de term TMA gebruikt zo lang als de exacte oorzaak nog niet bekend is.
Alle vormen van TMA hebben overlappende symptomatologie door obstructie van de microcirculatie met aggregaten van trombocyten en fibrinedraden, waardoor mechanische intravasculaire hemolyse optreedt met verbruik van bloedplaatjes en uiteindelijk orgaanschade in de organen waarin de microvasculaire afwijkingen optreden.
De meest bekende oorzaken van TMA zijn:
Typische klinische kenmerken van TMA zijn hemolytische anemie met een negatieve directe antiglobuline test (ook wel Coombs test genoemd), trombopenie en wisselend uitval van orgaanfuncties (hersenen, nieren, hart en tractus digestivus), zodat patiënten zich bij veel verschillende specialisten kunnen presenteren.
In hoofdstuk 2.6 wordt aangegeven welk initieel laboratorium- en beeldvormend onderzoek moet worden verricht om de diagnose TMA te kunnen stellen en de ernst van orgaandysfunctie in kaart te brengen.
In hoofdstuk 2.7 wordt aangegeven welk aanvullend laboratorium- en beeldvormend onderzoek verricht moet worden om de oorzaak van de TMA te achterhalen met als belangrijkste adviezen:
In hoofdstuk 3 wordt uitgebreid ingegaan op de verschillende, deels zeldzame oorzaken van TMA.
In hoofdstuk 4.1 en figuur 4 wordt initiële behandeling bij verdenking TMA in afwachting van aanvullende resultaten beschreven met als belangrijkste adviezen:
Hoofdstuk 5 beschrijft een uitgebreid protocol voor de behandeling van immuungemedieerde TTP (i-TTP) en aanvullende/alternatieve behandeling bij recidieven of incomplete respons. Tevens worden adviezen gegeven voor anticonceptie en zwangerschap na doorgemaakte TTP.
Hoofdstuk 6 beschrijft de zeldzamere subvorm van TTP waarbij ADAMTS13 deficiëntie wordt veroorzaakt door bi-allelelisch genetische varianten (congenitale TTP (cTTP)), resulterend in afwezige, sterk verminderde of dysfunctionele aanmaak van het ADAMTS13 protease. Het beschikbaar komen van nieuwe behandelmogelijkheden voor dit ziektebeeld hebben geleid tot een nieuw Nederlands behandelprotocol.
TTP en (wens tot) zwangerschap vraagt een specifieke begeleiding en behandeling, zowel betreffende i-TTP als cTTP. Adviezen hierover staan beschreven in hoofdstuk 7.
Hoofdstuk 8 beschrijft een uitgebreid protocol voor behandeling van CaHUS gebaseerd op consensus advies van de landelijke CaHUS werkgroep met vertegenwoordigers in alle academische ziekenhuizen (zie paragraaf 9.1). Bij verdenking op CaHUS is het advies om vroegtijdig te overleggen met de landelijke werkgroep CaHUS over het inzetten van genetisch onderzoek en of er een indicatie is voor het starten van eculizumab.
In de titel van de richtlijn wordt de term trombotische microangiopathie gebruikt als overkoepelende term voor een heterogene groep aandoeningen, die allemaal gekenmerkt worden door intravasculaire hemolyse, trombocytenverbruik en orgaanschade door geassocieerde microvasculaire vaatafsluiting.
Het doel van deze richtlijn is richting te geven aan differentiële diagnostiek van TMA, de therapeutische keuzes in de acute fase en de behandeling op langere termijn van TTP, CaHUS, STEC-HUS en secundaire TMA.
De richtlijn is geschreven voor hematologen, hematologen in opleiding, nefrologen, nefrologen-in-opleiding, internisten met interesse in trombotische microangiopathie, kinderarts-nefrologen en kinderarts-nefrologen in opleiding, kinderarts-hematologen en kinderarts-hematologen in opleiding.
De trombotische microangiopathieën (TMA’s) waartoe TTP behoort, karakteriseren zich door trombocytopenie, anemie door hemolyse en meer of minder orgaanschade. Deze patiënten kunnen zich qua symptomen presenteren bij internisten, internist-hematologen, nefrologen, kinderartsen, kinderarts-nefrologen, kinderarts-hematologen of infectiologen, maar ook bij neurologen of obstetrici. Hoewel een waarschijnlijkheidsdiagnose vaak mogelijk is, kan in veel gevallen niet afgewacht worden totdat een identificerende diagnose gesteld is en moet acuut met behandeling gestart worden. Voor TMA’s in brede zin is zowel in het diagnostisch traject als bij de behandeling intensieve interactie en afstemming nodig tussen hematologen (vanwege de bloedbeeldafwijkingen) en nefrologen (vanwege de vaak ernstig gestoorde nierfunctie). Om die reden heeft de Werkgroep benigne hematologie van de Nederlandse Vereniging voor Hematologie contact gezocht met de Nederlandse Federatie voor Nefrologie en is de voorliggende richtlijn ontstaan uit samenwerking tussen:
De huidige versie van deze richtlijn betreft een update van de in 2021 gepubliceerde richtlijn.
Namens subwerkgroep TTP van de NVvH (werkgroep niet-oncologische hematologie):
Namens de richtlijnencommissie van de NfN:
Namens de landelijke werkgroep CaHUS:
Landelijke CaHUS werkgroep
De landelijke CaHUS werkgroep (voorheen landelijke aHUS werkgroep) is in 2014 opgericht. Vanuit elk UMC nemen 1 nefroloog en 1 kindernefroloog deel aan de werkgroep. Daarnaast is vanuit het Radboudumc de ziekenhuisapotheker betrokken. De leden van de werkgroep vormen de indicatie-commissie welke toestemming moet geven voor gebruik van eculizumab bij patiënten met (een verdenking) op CaHUS. Het advies is om bij patiënt met verdenking CaHUS dan wel en/of moeilijk te interpreteren TMA laagdrempelig te overleggen met desbetreffende lid van de landelijke CaHUS werkgroep in dichtstbijzijnde UMC.
|
Amsterdam MC |
Prof. dr. F.J. Bemelman (nefroloog) |
|
|
Dr. A.H.M. Bouts (kinderarts-nefroloog) |
|
UMCG |
Dr. M. Eijgelsheim (nefroloog) |
|
|
Drs. V. Gracchi (kinderarts-nefroloog) |
|
LUMC |
Dr. O.W. Bredewold (nefroloog) |
|
|
Drs. R. van Rooij (kinderarts-nefroloog) |
|
ErasmusMC |
Drs. D. Severs (nefroloog) |
|
|
Dr. E.M. Dorresteijn (kinderarts-nefroloog) |
|
UMCU |
Dr. A.D. van Zuilen (nefroloog) |
|
|
Dr. M.G. dr Keijzer (kinderarts-nefroloog) |
|
MUMC |
Dr. S.A.M.E.G. Timmermans (nefroloog) |
|
|
Dr. F. Engels (kinderarts-nefroloog) |
|
Radboudumc (NFU/ ERKnet erkend expertise centrum TMA) |
Dr. C. Duineveld (nefroloog) Prof. dr. N.C.A.J. van de Kar (kinderarts-nefroloog) |
De Nederlandse CaHUS patiënten worden landelijk vervolgd in de CUREiHUS studie. De data uit deze studie wordt regelmatig geëvalueerd door het Radboudumc CaHUS expertisecentrum en besproken in de landelijke CaHUS werkgroep. De behandeling van CaHUS is Nederland is gebaseerd op data uit de CUREiHUS studie en gegevens uit de internationale literatuur.
Alle werkgroepleden hebben verklaard onafhankelijk gehandeld te hebben bij het opstellen van de richtlijn en hebben belangenverklaringen ondertekend waarbij is aangegeven welke betrekkingen zij onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van de richtlijn. De belangenverklaringen zijn op te vragen bij de betrokken wetenschappelijke verenigingen. In de tabel wordt een overzicht gegeven van de richtlijn-werkgroepleden van de NVvH en hun relevante belangen.
Landelijke TTP werkgroep
L. Neijenhuis heeft als vertegenwoordiger van de TTP patiënten vereniging (Stichting Zeldzame Bloedziekten) ook een verklaring ingevuld waarin geen belangen zijn vermeld.
Het probleem van de in de richtlijn omschreven heterogene groep van aandoeningen is dat zij zich meestal acuut presenteren met overlappende symptomatologie zonder specifieke kenmerken voor de achterliggende oorzaak. Een tweede probleem is dat afhankelijk van de achterliggende aandoening, de diagnostiek ter bevestiging dan wel uitsluiting van de aandoening enige uren tot zelfs weken op zich kan laten wachten. Directe (=acute) behandeling is echter vaak (zoals bijvoorbeeld in geval van TTP en CaHUS) noodzakelijk. Ten aanzien van de identificerende diagnostiek en behandeling is het doel van de richtlijn om zo spoedig mogelijk te komen tot een waarschijnlijkheidsdiagnose. Het acute behandelingsadvies is gericht op de aandoeningen met de hoogste morbiditeit en mortaliteit. Het onderwerp van de onderhavige richtlijn leent zich dus slechts gedeeltelijk voor een opbouw waarbij gebruikt wordt gemaakt van zogenaamde “uitgangsvraagstellingen”. Waar mogelijk zijn uitgangsvraagstellingen geformuleerd op een zo concreet mogelijke wijze. Ook zijn door de heterogene groep aandoeningen slechts algemene uitkomstmaten zoals overleving beschreven in deze richtlijn.
De richtlijn beoogt niet een volledig leerboek te zijn. De richtlijn is bedoeld om aanbevelingen te geven, daar waar in de dagelijkse praktijk de belangrijkste knelpunten bestaan en tracht daarmee een betere uniformiteit van behandeling en daarmee een betere overleving van deze patiënten in Nederland te bewerkstelligen. Deze richtlijn is zoveel mogelijk gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek of consensus. Het niveau van bewijsvoering staat vermeld in de tekst.
Richtlijngebruikers
De richtlijn is geschreven voor hematologen, hematologen in opleiding, nefrologen, nefrologen-in-opleiding, internisten met interesse in trombotische microangiopathie, kinderarts-nefrologen en kinderarts-nefrologen in opleiding, kinderarts-hematologen en kinderarts-hematologen in opleiding.
In deze richtlijn is de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs ten behoeve van het opstellen van ‘evidence-based’ aanbevelingen beoordeeld aan de hand van de SORT-methode. Deze methode is sterk patiënt georiënteerd (significante patiënt gerelateerde zorguitkomsten). Zie bijlage 1 voor een uitgebreide toelichting op de systematiek.
Verantwoording en werkwijze richtlijnwerkgroep
Het concept van deze richtlijn is voorgelegd aan de Nierpatiënten Vereniging Nederland en de Stichting Zeldzame Bloedziekten en het commentaar op deze richtlijn is verwerkt in de definitieve versie. De richtlijn wordt ter kennisgeving aangeboden aan de Vereniging van Hematologisch Laboratoriumonderzoek (VHL).
In de verschillende fasen van de ontwikkeling van het concept van de richtlijn is zoveel mogelijk rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de daadwerkelijke uitvoerbaarheid van de aanbevelingen.
Voor de richtlijnontwikkeling en de huidige update werd literatuurstudie verricht, waarbij met name gezocht is naar studies met grote patiëntcohorten en vergelijking van verschillende behandelingen. Ten aanzien van de diagnostiek maar ook door het ontbreken van gerandomiseerde klinische studies (RCT’s) op het gebied van behandeling van de diverse (tot) TMA (leidende) aandoeningen is vaak sprake van op expert opinion beruste aanbevelingen.
De patiëntgerichte SORT methode is aangehouden om de beschikbare studies, richtlijnen en expert opinies te beoordelen (zie Bijlage 1 voor de werkwijze SORT systematiek).
Procedure voor commentaar en autorisatie
Na ontvangst van het commentaar van het patiëntplatform (TTP patiëntenvereniging) en de CaHUS kennisgroep van de Nierpatiënten-Vereniging Nederland (NVN) werd het volgende traject gestart:
Juridische betekenis
De richtlijn bevat aanbevelingen van algemene aard. Het is mogelijk dat in een individueel geval deze aanbevelingen niet van toepassing zijn. Het is de verantwoordelijkheid van de behandelend arts te beoordelen of de richtlijn in de praktijk en/of in het belang van een goede geïndividualiseerde zorg voor de patiënt toepasbaar is. Zo nodig [wordt gemotiveerd afgeweken van de richtlijn].
Procedure herziening
Uiterlijk vijf jaar na verschijnen van deze richtlijn wordt door beide wetenschappelijke verenigingen (NVvH, NfN) beoordeeld of deze richtlijn nog actueel is. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen wanneer nieuwe ontwikkelingen het nodig maken om eerder een herzieningstraject te starten. De betrokken werkgroepen houden deze ontwikkelingen bij en overleggen jaarlijks of eerdere aanpassingen aan de richtlijn nodig zijn.
Literatuur zoekverantwoording
Referenties zijn afkomstig uit PubMed met de zoekstrategie HUS, TTP, TMA. In kader van behandeling zijn alle beschikbare gecontroleerde en gerandomiseerde klinische studies (RCTs) geïncludeerd.
Voor de pathofysiologie zijn artikelen geraadpleegd uit de verschillende vaktijdschriften.
Het is de verantwoordelijkheid van de individuele behandelaar de inhoud van deze richtlijn te implementeren in de dagelijkse klinische praktijk. Om het gebruik echter in de dagelijkse praktijk te bevorderen wordt deze richtlijn verspreid onder de professionals van de bij de totstandkoming van deze richtlijn betrokken organisatie(s):
TTP patiëntenvereniging (Stichting Zeldzame Bloedziekten): Dhr L. Neijenhuis
Nierpatiënten-Vereniging Nederland (NVN): Mevr. R de Wildt
In de afgelopen jaren heeft de behandeling van verworven immuungemedieerde TTP (i-TTP) een vogelvlucht genomen met de introductie van caplacizumab en de intensivering van immuunmodulatoire behandeling. Dit resulteerde in de introductie van caplacizumab in de eerstelijnsbehandeling in 2019, rituximab ten einde bereik van een immunologische respons middels tweedelijnsbehandeling van i-TTP, en verplaatsing van rituximab naar de eerstelijnsbehandeling eind 2024.
Medio 2025 kwam het middel apadamtase onder strikte voorwaarden beschikbaar voor de behandeling van congenitale TTP (cTTP). De voorwaarden van behandeling en aanbevelingen rondom dit ziektebeeld zijn opgenomen in een separaat hoofdstuk van deze richtlijn (hoofdstuk 6). Daarnaast bleek behoefte aan uitgebreidere adviezen rondom begeleiding en behandeling van (wens tot) zwangerschap, zowel voor patienten met i-TTP als met cTTP. Deze adviezen zijn gebundeld in hoofdstuk 7.
De huidige richtlijn blijft daarmee gebaseerd op internationale richtlijnen voor de behandeling en diagnose van i-TTP, cTTP en complement-gemedieerde atypische HUS (CaHUS) en geeft ook adviezen over diagnostiek en behandeling van secundaire TMA.
Alle vormen van trombotische microangiopathie hebben overlappende symptomatologie die optreedt door obstructie van de microcirculatie met aggregaten van trombocyten en fibrinedraden. Hierdoor treedt mechanische intravasculaire hemolyse op en worden trombocyten verbruikt, waardoor uiteindelijk orgaanschade optreedt in de organen waarin de microcirculatoire afwijkingen optreden (Figuur 1).2

Er zijn diverse oorzaken van TMA bekend. Het klinisch beeld overlapt gedeeltelijk, maar soms is op grond van de voorgeschiedenis of bepaalde ziekteverschijnselen wel een oorzaak voor de TMA waarschijnlijk (Figuur 2). De meest bekende oorzaken zijn:
Verwarrend in de naamgeving is het feit dat de termen HUS en TTP beide het proces van trombotische microangiopathie beschrijven. Aan deze termen kan men dan ook niet de onderliggende oorzaak herkennen. Het is een kwestie van afspraak welke oorzaak-met-ziektebeeld met welk acroniem wordt aangeduid. Wij pleiten ervoor om de term TMA te gebruiken zo lang de oorzaak van de TMA niet is vastgesteld.
Belangrijke differentiaal diagnostische overwegingen bij verdenking TMA zijn: diffuse intravasale stolling, hemofagocytair syndroom, glucose-6-fosfaat-dehydrogenase-deficientie (G6PD deficiëntie), paroxysmale nachtelijke hemoglobinurie, andere vormen van hemolytische anemie.

Klinische symptomen zijn sterk afhankelijk van de oorzaak en de ernst van de intravasculaire hemolyse en de mate van betrokkenheid van de verschillende organen:
|
WHO bloedingsgraad |
Bloedingskenmerken |
|
Graad 0 |
Geen bloeding. |
|
Graad 1 |
Niet confluerende petechiën/purpura. |
|
Graad 2 |
Milde, klinisch relevante bloeding zonder noodzaak tot transfusie en zonder hemodynamische instabiliteit. |
|
Graad 3 |
Ernstige bloeding zonder hemodynamische instabiliteit waarvoor noodzaak bloedtransfusie en/of inwendige bloeding en/of cerebrale/retinale bloeding zonder neurologische uitval. |
|
Graad 4 |
Zeer ernstig bloeding met hemodynamische instabiliteit en/of cerebrale/retinale bloeding met neurologische uitval. |
Het initiële laboratoriumonderzoek bij het ziektebeeld van TMA wordt gekenmerkt door:
Deze afwijkingen bij het laboratoriumonderzoek variëren in ernst tussen de verschillende oorzaken en klinische beelden van TMA. Ze kunnen echter niet betrouwbaar differentiëren tussen de verschillende oorzaken. Let op: een positieve Coombs test (ook wel genaamd directe antiglobuline test (DAT)) kan gezien worden bij Streptococcus pneumoniae – HUS.
Het volgende onderzoek moet bij verdenking op TMA aanvullend direct worden ingezet:
Acute TTP betreft meestal jonge vrouwelijke (vrouw:man 8:2) patiënten met diepe trombopenie (<20-30 x 109/L trombocyten) en symptomen, die vaak aan de hemolyse voorafgaan:
Zonder behandeling loopt acute TTP in 90% van de gevallen dodelijk af. Door tijdige diagnose kan deze levensbedreigende aandoening momenteel bij 85% van de patiënten met succes worden behandeld.10 Het betreft een zeldzame aandoening.
Er bestaan meerdere diagnostische scores om de waarschijnlijkheid van de diagnose TTP in te schatten in afwachting van de uitslag van ADAMTS13 activiteit. De meest gebruikte is de gevalideerde PLASMIC score. Bij een score van 6 of hoger is de positieve voorspellende waarde voor TTP 81% en de negatief voorspellende waarde 92%. De voorspellende waarde van de PLASMIC score is afhankelijk van de a-priori kans op aanwezigheid van TTP.8, 11 Elk van onderstaande items levert 1 punt op. Let op: de PLASMIC score is niet gevalideerd bij zwangeren of kinderen.
|
Trombocyten <30×109/L |
1 |
|
Aanwezigheid hemolyse |
1 |
|
Afwezigheid actieve maligniteit |
1 |
|
Geen voorgeschiedenis van solide of hematopoietische (stamcel)transplantatie |
1 |
|
MCV <90 fl |
1 |
|
INR <1.5 |
1 |
|
Kreatinine <177 umol/L |
1 |
PLASMIC score: aanwezigheid hemolyse = reticulocyten >2.5% en/of onderdrukt haptoglobine en/of indirecte bilirubine >34 µmol/L.
Acute TTP ontstaat bij vrijwel alle patiënten door een verminderde activiteit van het enzym dat von Willebrand Factor afbreekt tot kleinere eenheden, het protease ADAMTS13.10, 12, 13
Bij de eerste presentatie is de kliniek vaak niet altijd even duidelijk:3, 23, 24
Vaak wordt er een uitlokkende factor beschreven zoals virale infectie, vaccinatie en zwangerschap.
Ook CaHUS kent extrarenale symptomen in de acute fase (ongeveer 20%):25
CaHUS kent familiaire (15-20%) alsmede sporadische vormen en kan recidiveren. Eerste manifestaties kunnen op alle leeftijden optreden, ook bij genetische oorzaken (bijvoorbeeld in zwangerschap).
De klinische waarschijnlijkheidsdiagnose CaHUS wordt gesteld indien er geen andere oorzaken voor TMA aanwezig zijn, dat wil zeggen geen STEC infectie, ADAMTS13 activiteit ≥10% en geen andere onderliggende oorzaken van secundaire TMA.1, 3
Verlaagd complement C3 kan een aanwijzing zijn voor CaHUS, maar wordt lang niet bij alle patiënten beschreven. Een normaal serum C3 sluit de diagnose CaHUS derhalve niet uit. Het meten van de complement eiwitten C3/C4 wordt wel ingezet, maar heeft geen discriminerende functie in de differentiaal diagnose. Een verlaagd C3 kan wel een aanwijzing zijn voor CaHUS. Een verlaagd C4 is niet typisch voor CaHUS.
CaHUS ontstaat ten gevolge van een ongecontroleerde activatie van de alternatieve route van het complement systeem (zie figuur 4).
Dit alles maakt dat men tegenwoordig spreekt over een genetisch complement profiel, zogenaamd complementtype met een verhoogde vatbaarheid voor CaHUS.
Genetische analyse van complementgenen alsmede aantonen van de aanwezigheid van antistoffen tegen factor H wordt gedaan in het Radboudumc te Nijmegen:
en door Sanquin te Amsterdam:
Bij alle patiënten met verdenking op CaHUS dient genetische diagnostiek en analyse naar antistoffen tegen factor H ingezet te worden. Het vinden van een complement mutatie ondersteunt de diagnose, kan helpen het recidief risico in te schatten en is ook nodig bij de donorselectie rondom niertransplantatie. In overleg met de landelijke werkgroep CaHUS kan binnen 2 weken spoed-genetisch onderzoek (Radboudumc) verricht worden. Bij onduidelijke oorzaak van TMA wordt laagdrempelig overleg met lid van landelijke CaHUS werkgroep, aanwezig in ieder UMC, geadviseerd. De indicatie-commissie van de landelijke CaHUS werkgroep besluit of er gestart kan worden met eculizumab.

Figuur 3. Het pathofysiologisch mechanisme bij CaHUS: dysregulatie van de alternatieve route van het complement systeem door o.a. ‘loss of function’ mutaties in factor H en I of juist ‘gain of function’ mutaties in factor B en C3. Dit leidt uiteindelijk tot een persisterende activatie van de alternatieve route.
Meerdere medicamenten kunnen TMA veroorzaken, waarbij de diagnose moeilijk kan zijn door ontbreken van specifieke testen om aan te tonen dat het desbetreffende geneesmiddel verantwoordelijk is voor de TMA.4 Om de diagnose aannemelijk te maken dienen andere vormen van TMA uitgesloten te worden (diagnose per exclusionem).
Bij verdenking op DITMA dient het verdachte geneesmiddel uiteraard gestaakt te worden, maar door overlap van het klinische beeld met andere vormen van TMA kan het erg moeilijk zijn om het optimale beleid te bepalen.
Indien relatie tussen geneesmiddel en TMA onduidelijk is, kan een poging gedaan worden om geneesmiddel-afhankelijke antilichamen aan te tonen (zeker bij ‘levensreddende’ geneesmiddelen). In de USA zijn er mogelijkheden om dit te testen in Blood Center of Wisconsin:
https://www.versiti.org/medical-professionals/products-services/diagnostic-labs
Bij onvoldoende respons op staken van medicatie (arbitrair 5-7 dagen) moet alternatieve diagnose van CaHUS opnieuw overwogen worden en overwogen worden met leden van de landelijke CaHUS werkgroep.
Er kan onderscheid gemaakt worden tussen:
Bij onderstaande middelen moet in ieder geval DITMA overwogen worden, maar deze lijst is zeker niet compleet. Voor een uitgebreider overzicht en complete lijst met medicatie wordt verwezen naar:
Antilichaam gemedieerde DITMA:
Toxisch gemedieerde DITMA
Clopidogrel en ticlopidine geassocieerde DITMA/TTP
Secundaire TMA is een heterogene groep aandoeningen waarbij TMA geassocieerd is met onder andere infecties, auto-immuunziekten, maligniteiten, en/of zwangerschap (zie figuur 2). Secundaire TMA komt veel vaker voor dan CaHUS.38, 39 Vaak zijn er aanwijzingen bij anamnese, lichamelijk onderzoek, en/of aanvullend onderzoek die wijzen op een secundaire oorzaak. Alhoewel er ook aanwijzingen kunnen zijn voor complement activatie,40 worden er bij patiënten met secundaire TMA niet meer pathogene complement varianten gevonden vergeleken met de normale gezonde populatie.41, 42 Er is tot dusver geen bewijs uit gecontroleerde studies dat een behandeling met een complement blokker leidt tot betere uitkomsten dan enkel behandeling gericht op de onderliggende ziekte.43 In Nederland wordt eculizumab niet vergoed voor secundaire TMA. Hoewel zeldzaam kan het voorkomen dat een patiënt met een secundaire oorzaak ook een complement mutatie heeft. Indien de behandeling van de onderliggende aandoening geen effect heeft op het herstel van TMA parameters danwel nierfunctie, dan kan in overleg met de landelijke werkgroep besloten worden om met spoed genetische diagnostiek in te zetten en eventueel in afwachting van de resultaten hiervan één gift eculizumab (zie inductie-schema) te geven. Mocht er vervolgens geen genetische mutatie gevonden worden dan wordt de eculizumab ook weer gestaakt.
TMA in het kader van (langer bestaande) hypertensie (hypertensie geassocieerde TMA) is lastig te onderscheiden van CaHUS. Patiënten met CaHUS presenteren zich ook vaak met hypertensie (~50%),41 eventueel gepaard gaande met retinopathie. Er is geen systematisch onderzoek gedaan naar het voorkomen van complement varianten bij patiënten die zich presenteren met TMA en ernstige hypertensie, waardoor het lastig is te schatten wat de kans op CaHUS is in deze groep. Niet gevalideerde factoren die pleiten voor hypertensie geassocieerde TMA (en geen CaHUS) zijn: hogere leeftijd (>45 jaar) bij presentatie, voorgeschiedenis van hypertensie, kleinere nieren op de echo, aanwezigheid van linker ventrikel hypertrofie, afwezigheid van glomerulaire trombose in het nierbiopt, geen noodzaak tot hemodialyse en snel herstel (<72 uur) van TMA parameters bij behandeling van bloeddruk.43 Indien afwezigheid van bovenstaande factoren en geen snel herstel bij bloeddrukbehandeling kan in overleg met de landelijke werkgroep besloten worden om met spoed genetische diagnostiek in te zetten en eventueel in afwachting van de resultaten hiervan 1 gift eculizumab te geven.
De laatste jaren zijn er zeldzame genetische varianten in “non-complement” genen gevonden die een TMA beeld kunnen veroorzaken (zoals de hieronder genoemde vormen DGKE en Cobalamine C deficiëntie) , soms met een uitgesproken fenotype. Omdat er geen complementgenen betrokken zijn, is behandeling met eculizumab niet zinvol.25
DGKE (diacylglycerol kinase epsilon) mutatie
Metabole TMA op basis van een Cobalamine C deficiëntie

Figuur 4. Initiële therapeutische strategie bij TMA.
Bij TMA geassocieerd met een onderliggende ziekte moet de onderliggende oorzaak/aandoening worden behandeld (SORT level B).1, 15 Plasmawisseling heeft hierbij geen plaats behoudens bij HIV met beeld van TTP en mogelijk bij het catastrofaal antifosfolipiden syndroom:
Gezien acute noodsituatie met vaak snel verergerende orgaanschade dient plasmawisseling zo spoedig mogelijk gestart te worden en dient niet gewacht te worden op de uitslag van ADAMTS13 activiteit als bevestiging van de diagnose. Kwaliteitseis voor het als centrum behandelen van TTP is dat te allen tijde (dag, nacht weekend) plasmawisseling kan starten uiterlijk 4-6 uur na (verdenking op) de diagnose TTP (kwaliteitseis I). Daarnaast dient een TTP behandelcentrum te allen tijde opvang en snelle start van behandeling te kunnen regelen voor een TTP patiënt uit de verwijzende ziekenhuizen (kwaliteitseis II). Tevens moet gewaarborgd zijn dat de ADAMTS13 uitslag binnen 48 uur bekend is (kwaliteitseis III).
Niet alle centra in NL beschikken over 24/7 plasmaferese faciliteiten. In geval plasmawisseling niet per direct mogelijk is, dient patiënt zo snel mogelijk overgeplaatst te worden naar een TTP behandelcentrum met 24/7 plasmaferese mogelijkheid en kan overbrugd worden middels toediening van (minimaal 2-3 eenheden) plasma. Indien vervoer niet mogelijk is: overleg met TTP behandelcentrum over alternatieven.
|
Respons |
Voorwaarden |
|
Hematologische complete respons (vanaf dag 7), hCR |
|
|
Immunologische respons, iCR |
|
|
Hematologische remissie |
|
|
Immunologische remissie |
|
|
Hematologisch recidief |
|
|
Immunologisch recidief |
|
|
Geen respons |
en/of
|
|
Progressieve ziekte |
|
Definities gebaseerd op Cuker et al, Blood 2021,57 met als aanpassing de afwezigheid in onderscheid tussen een exacerbatie (‘vroeg recidief’, namelijk <4 weken na laatste plasmaferese en anti-VWF therapie) en recidief (>4 weken na laatste plasmaferese en anti-VWF therapie).
Bij een hoge verdenking op acute verworven (=immuun gemedieerde) TTP (i-TTP), corresponderend met een PLASMIC score van 6 of 7,8 is het noodzakelijk om direct behandeling te starten om (verdere) orgaanschade te voorkomen. Gezien het snel progressieve karakter van de aandoening dient bevestiging van een ADAMTS13 activiteit <10% niet afgewacht te worden.
De initiële behandeling van verworven TTP bestaat uit:
Figuur 5 illustreert schematisch het behandelschema van verworven TTP.

Figuur 5. Behandelschema verworven TTP.
PW = plasmawisseling. hCR = hematologische complete respons.
Plasmawisseling
Caplacizumab
Caplacizumab is een gehumaniseerd nanobody dat bindt aan het A1-domein van het von Willebrand factor (VWF) eiwit. Door deze binding wordt de interactie van VWF met het glycoproteine Ib-IX-V op de trombocyt voorkomen waardoor het micro-angiopathische proces een halt wordt toegeroepen. Op deze manier dient het middel ter overbrugging tot intreden van immunologisch effect van prednison en eventueel andere immunosuppressieve middelen. Belangrijkste bijwerking inherent aan dit mechanisme is het optreden van bloedingen, welke over het algemeen als niet-ernstig classificeren. Het risico op ernstige bloedingen bedraagt ongeveer 2% en het risico op een ernstige intracerebrale bloeding onder caplacizumab <1%.63 De richtlijncommissie is van mening dat het middel (relatief) gecontra-indiceerd is bij een TTP gepaard gaande met levensbedreigende bloedingen (WHO graad 3-4). Er ontbreekt bewijs over gebruik van caplacizumab bij patiënten met een verhoogd bloedingsrisico, zoals bij gebruik van profylactische of therapeutische antistolling of in geval van TTP-gerelateerde cerebrale ischemische haarden met (risico op) hemorrhagische transformatie. De werkgroep is van mening dat terughoudendheid hier geboden is. Met betrekking tot antistolling kan een praktische benadering zijn om caplacizumab zo snel mogelijk na coupering van antistolling te starten. Bij cerebrale bloedingen dient men zeer terughoudend te zijn; de uitgebreidheid van de cerebrale ischemie versus het bloedingsvolume en de verwachte progressie van beide onder behandeling van caplacizumab dienen hierbij tegen elkaar afgewogen te worden.64 Overleg met de landelijke TTP werkgroep wordt in deze uitzonderlijke situaties sterk geadviseerd.
Behandeling met caplacizumab tot maximaal 58 dagen na laatste plasmaferese is veilig en effectief gebleken in de eerste lijnsbehandeling van TTP.65-70 De voor plasmaferese benodigde hoeveelheid plasma neemt met meer dan 30% af, responsen treden sneller op met reductie van exacerbaties en de ziekenhuis- en opnameduur wordt verkort. Wel is de kans op een recidief TTP in de periode na staken van het middel groter indien geen immunologische complete respons (=ADAMTS13 activiteit ≥10%) is bereikt. De werkgroep is van mening dat calpacizumab als initiële behandeling aan de standaardbehandeling van plasmawisseling en corticosteroïden bij alle patiënten dient te worden toegevoegd.
Caplacizumab bij kinderen <18 jaar
Prednison
Rituximab
Overige maatregelen:
Vanaf dag 7 wordt zowel de hematologische als immunologische respons beoordeeld.
Indien hematologische complete respons wordt plasmawisseling gestaakt. 72 uur na de laatste plasmawisseling wordt ADAMTS13 activiteit bepaald (NB dit interval dient ter voorkoming van een foutief-normaal resultaat voor ADAMTS13 activiteit als gevolg van ADAMTS13 substitutie terwijl nog wel actieve TMA). Indien sprake is van een immunologische complete respons (ADAMTS13 activiteit ≥10%) wordt caplacizumab gestaakt en gestart met afbouw prednison tot 0 mg in 2-3 weken. Indien geen sprake is van een immunologische complete respons worden caplacizumab en prednison gecontinueerd (SORT level B). ADAMTS13 activiteit wordt 2x/week bepaald tot een immunologische complete respons bereikt is, waarbij gehandeld wordt zoals hierboven beschreven.
In geval van geen respons of progressieve ziekte kan overwogen worden om de plasmawisselingen te intensiveren (2dd à 1.0 plasmavolume).
Men dient zich te realiseren dat het bereiken van een hematologische respons onder het gebruik van caplacizumab geen betekenis meer heeft ten aanzien van immunologische ziektecontrole. Het bereiken van een immunologische respons, welke beoordeeld wordt aan de hand van de ADAMTS13 activiteit, is de cruciale doelstelling van de behandeling geworden.
Bovenstaande is schematisch weergegeven in figuur 6 en per type respons samengevat in onderstaande tabel.
|
Evaluatie |
Beleid |
|
Hematologische complete respons (minimaal 2 dagen achtereen) |
|
|
Progressieve ziekte of (vanaf dag 7) geen hematologische complete respons |
|
Evaluatie en vervolgbeleid nadien:
De werkgroep heeft op basis van gerapporteerde responspercentages, mediane tijd tot respons en bijwerkingen profiel de voorkeur voor cyclofosfamide, daratumumab, vincristine of splenectomie. Daratumumab is op moment van publicatie van deze versie van de richtlijn niet vergoed voor deze indicatie.
In geval van behandelmogelijkheden binnen studieverband heeft dit de voorkeur.
Overleg in deze situatie laagdrempelig met de TTP werkgroep over timing en keuze van behandeling (middels privacy-veilige TTP Doctolib app).
Persisteren/recidiveren van ADAMTS13 activiteit <10% is een risicofactor voor een klinisch recidief TTP.85, 86
Voor klinisch progressieve ziekte/klinisch recidief gelden een drietal interventies:
Opschalen immuunmodulatoire behandeling
De bewijsvoering per middel is beperkt en vergelijkende studies naar effectiviteit ontbreken. Van de onderstaande middelen zijn retrospectieve, observationele data gepubliceerd:
Azathioprine
Een retrospectieve Italiaanse cohortstudie beschrijft 21 patiënten met een immunologisch refractair of recidief TTP (in hematologische remissie) die behandeld werden met azathioprine. Mediane dosis azathioprine bedroeg 1.3 mg/kg/dag, met een mediane behandelduur van 16 maanden en mediane follow-up periode van 40 maanden. Een totaal van 48% patiënten bereikte een (minimaal partiele) respons op ADAMTS13 activiteit; 33% bereikte een complete ADAMTS13 respons. Cumulatieve recidief incidentie bedroeg 6% na 1 jaar en 21% na 2 jaar.87
Bortezomib
In een retrospectieve Italiaanse case series leidde minimaal 1 cyclus bortezomib (1.3 mg/m2 dag 1,4,8,11) tot een ADAMTS13 respons in 10/17 (59%) rituximab-refractaire patiënten. Zeven van 17 patiënten werden pre-emptief behandeld vanwege verlies van immunologische respons, de overige patiënten ten tijde van een overt klinisch recidief. Behandelduur bedroeg 1 cyclus (a 4 giften) in 50% van de patiënten. Mediane tijd tot respons bedroeg 30 dagen (IQR 7-120 dagen) en mediane duur van immunologische respons 22 maanden (IQR 10-38).88
Een systematisch overzicht van gerapporteerde casuïstiek (N=36 patiënten) rapporteerde vergelijkbare effectiviteit, alhoewel hier bij een deel van de patiënten de respons mogelijk ook toe te schrijven was aan simultane infusie van rituximab.89
Caplazicumab
Zie paragraaf 5.3.
Cyclofosfamide
Cyclofosfamide pulse therapie is als salvage therapie beschreven met gunstig resultaat in 5 patiënten (SORT level C).90
Daratumumab
Meerdere case reports91-93 en een Franse case series met 7 patiënten94 beschrijven gunstige resultaten van daratumumab in patienten die refractair waren op rituximab en/of andere immuunmodulatoire middelen. In de Franse publicatie ontvingen patiënten mediaan 6 (2-40) wekelijkse giften a 1800 mg IV. Zes van 7 patiënten bereikten een ADAMTS13 respons na mediaan 21 (6-73) dagen met in 50% een aanhoudende respons na een mediane follow-up duur van 26 maanden.
Alternatieve monoklonale CD20 antistoffen: obinutuzumab, ofatumumab.
De verschillende beschikbare monoklonale anti-CD20 antistoffen hebben verschillende mechanistische effecten. Rituximab en ofatumumab betreffen een type 1 anti-CD20 antistof en obinutuzumab betreft een type 2 gehumaniseerde IgG1 antistof. Type 1 antistoffen resulteren vooral in complement-gemedieerde cytotoxiciteit (CDC), terwijl type 2 antistoffen met name NK-cel gemedieerde cellysis (ADCC) en fagocytose (ADCP) induceren.95
In een Frans retrospectief patiëntencohort werden vanwege rituximab-refractairiteit (N=32) en/of intolerantie (N=25, serumziekte) of beide (N=3) totaal 60 patiënten behandeld met obinutuzumab. In 85% werd een ADAMTS13 respons bereikt: (77% versus 95% in rituximab-refractaire versus intolerante patiënten). Mediaan aantal doseringen was 3 (IQR 1-4) en mediane tijd tot respons 36 dagen (IQR 17-80).96
Beperktere data maar met vergelijkbare resultaten zijn beschikbaar voor het middel ofatumumab.97
Splenectomie
Voor splenectomie zijn 2 studies verschenen met gunstige uitkomst bij progressieve/refractaire TTP ondanks plasmawisseling en om recidieven te voorkomen.90, 98
In de studie van Kappers-Klunne uit 2005 met 9 patiënten met refractaire ziekte werd in 5 patiënten een snel klinisch herstel gezien. Één patiënt overleed aan progressieve ziekte.98
De Franse studie uit 2012 met 13 patiënten met progressieve ziekte laat een gunstige respons in 12 patiënten zien en 1 overleden patiënt een dag na splenectomie.90
Gezien de snelle respons is er bij acuut bedreigde, refractaire ziekte een plaats voor splenectomie.
NB indien recent rituximab is gegeven, noodzakelijke vaccinaties uitstellen tot 6 maanden na rituximab met controle van antistof respons.
Vincristine
Effectiviteit met snelle responsen zijn beschreven in oudere case series in het pre-rituximab tijdperk. Toediening: Vincristine IV 2 mg op dag 1 en 1 mg op dag 4+7. Een positieve en snelle respons is gezien in meerdere case series.99-102 Vincristine toedienen ná de plasmaferese.
Gezien ADAMTS13 activiteit prognostisch is voor het optreden van een recidief wordt deze herhaald uiterlijk 6 weken na de laatste dosis caplacizumab, nadien na 3, 6 en 9 maanden gedurende het eerste jaar na het event en (minimaal) 2x per jaar in het tweede jaar. Bij uitblijven van een (immunologisch) recidief volstaat daarna jaarlijkse monitoring, waarbij op individuele basis de controlefrequentie geïntensiveerd kan, bijvoorbeeld vanwege dynamiek van ADAMTS13 activiteit, beginnend herstel van B-cel constitutie na rituximab of voorkeur van patiënt.
Patiënten met een immunologisch maar geen klinisch recidief TTP (ADAMTS13 activiteit <10%) hebben een 74% risico op klinisch recidief binnen 7 jaar. Pre-emptieve behandeling met rituximab is zeer efficiënt in het voorkomen van dit klinisch recidief (risicoreductie 74%, number needed to treat 1.6) (SORT level B). Er zijn geen ernstige bijwerkingen waargenomen.
Bij een immunologisch recidief is het advies om rituximab te starten (375 mg/m2, geen voorkeur voor 1x of 2x/week, totaal 4 giften).86. Overweeg ook pre-emptieve behandeling met rituximab of eventueel corticosteroïden in geval ADAMTS13 activiteit nog >10% maar in sterk dalende trend (SORT level C). Indien rituximab in de initiële behandeling gegeven is, is de werkgroep van mening dat herhaling van rituximab zinvol kan zijn na een initiële respons van ten minste 6-12 maanden. Deze termijn is ook in lijn met elders gerapporteerde mediane hersteltijd van 9 maanden voor de perifere circulerende B-cel populatie.103 Indien herhalen van rituximab niet zinvol wordt geacht, dient alternatieve immunosuppressieve behandeling overwogen te worden (SORT level C). Voor opties zie paragraaf 5.4.
De TTP patiëntenvereniging geeft aan dat veel patiënten een lange nacontrole willen hebben (kwaliteitseis IV) en ook gebaat zijn bij aandacht voor conditioneel fysiek herstel, bijvoorbeeld via een fysiotherapeutisch programma. Patiënten met een doorgemaakte TTP hebben significant vaker klachten van chronische vermoeidheid, depressie, verminderd concentratie vermogen, ervaren een verlaagde vitaliteit en hebben een verhoogde mortaliteit. Mede gezien de noodzaak tot levenslange controles kan TTP inmiddels beschouwd worden als chronische aandoening. Ook komen hypertensie en andere auto-immuunziekten frequenter voor.104, 105
Congenitale trombotische trombocytopenische purpura (cTTP) betreft een zeldzaam en nog relatief onbekend subtype van TTP met een geschatte incidentie van 0.5-2 per miljoen inwoners, overeenkomend met 2-10% van de TTP casuïstiek in internationale registers.
Het ziektebeeld wordt veroorzaakt door een bi-allelische (homozygote of compound heterozygote) ADAMTS13 genmutatie, resulterend in een synthese- of functiestoornis van het enzym ADAMTS13.
De symptomen en ernst van de aandoening kunnen sterk verschillen tussen patiënten onderling. Het spectrum behelst recidiverende acute TTP episoden met ernstige (blijvende) ischemische orgaanschade tot volledige afwezigheid van optreden van acute episoden en chronische klachten.106 Er lijkt geen duidelijk lineair verband tussen de mate van de ADAMTS13 deficiëntie en het klinisch fenotype alsmede met de onderliggende specifieke genmutaties.9 De onderliggende verklaringen hiervoor zijn nog onbekend.
Symptomatologie kan al vanaf jonge leeftijd aanwezig kan zijn, maar de diagnose cTTP wordt in het merendeel van de patiënten in laat-adolescentie dan wel op volwassen leeftijd gesteld. In algemeenheid is diagnosestelling op de kinderleeftijd geassocieerd met een ernstiger klinisch fenotype.9 Uitingen van de ziekte kunnen betreffen: acute TTP events met orgaanischemie, chronische ischemische orgaanschade, en ook chronische neuropsychiatrische symptomen. Orgaanschade komt hierbij niet alleen voort uit acute TTP events, maar kan ook het gevolg zijn van subacute, soms zelfs subklinische, chronische trombotische microangiopathische (TMA) activiteit. Slechts ongeveer de helft van de patiënten heeft een chronische trombocytopenie of andere biochemische tekenen van TMA activiteit. Een observationele studie vanuit het internationale cTTP register rapporteerde een mediane incidentie van 0.35 TTP events per jaar, waarbij de helft van dit cohort patiënten betrof waarin geen events optraden (event rate 0.0/jaar), wat de opvallende heterogeniteit van dit ziektebeeld illustreert.107
Zwangerschap is een uitlokkende factor voor een acuut TTP event en daarom relatief vaak de trigger tot diagnose (zie voor details hoofdstuk 7 in deze richtlijn). Deze patiënten lijken een specifieke subgroep te vormen, met vaak buiten de zwangerschappen geen of zelden optreden van acute TTP episoden.108
Differentiaal diagnostisch moet aan cTTP gedacht worden indien bij een beeld van TMA met/zonder overte orgaanischemie een ADAMTS13 activiteit <10% wordt gevonden, maar hierbij geen antistoffen tegen ADAMTS13 aantoonbaar zijn. Alleen uitvoeren van een mengproef, waarbij ADAMTS13 activiteit voor en na toevoeging van gezond donorplasma wordt vergeleken, is onvoldoende conclusief voor uitsluiten van aanwezigheid van ADAMTS13-autoantistoffen. Hiertoe dient (ook) een ELISA-gebaseerde assay verricht te worden, die zowel aanwezigheid van neutraliserende als ook niet-neutraliserende antistoffen evalueert.109, 110 In geval hierbij geen autoantistoffen aantoonbaar zijn is, zonder alternatieve verklaring voor het klinisch TMA beeld, zoals bijvoorbeeld drug-induced TTP, de diagnose congenitale TTP zeer aannemelijk. In dit geval dient aanvullende mutatie analyse van het ADAMTS13 gen verricht te worden (beschikbaar via Sanquin, Radboudumc).
In geval van een behandelindicatie dienen resultaten van genetische diagnostiek niet afgewacht te worden, maar behandeling onder werkdiagnose cTTP gestart te worden.
In tegenstelling tot iTTP is immunosuppressieve behandeling bij cTTP niet zinvol. De behandeling is gericht op suppletie van het deficiënte ADAMTS13 protease.
Afhankelijk van de ernst van de cTTP vindt behandeling alleen plaats tijdens acute TTP episoden (on demand), dan wel chronisch als profylactische onderhoudsbehandeling (meestal elke 1-3 weken). Het doel van behandeling is streven naar een voldoende functioneel ADAMTS13 activiteitsgehalte, met normalisatie van trombocyten als belangrijke remissieparameter.
Tot recent was de enige in Nederland beschikbare suppletietherapie het toedienen van ontdooid solvent-detergent plasma (dosis 10-15 ml/kg intraveneus, iedere 2-3 weken). De absolute reductie op incidentie van TTP events is hiervan onbekend. Wel hebben internationale registratiestudies laten zien dat plasmasuppletie vaak niet voldoende effectief is om volledige ziektecontrole te bereiken: ondanks chronische plasmasuppletie traden met regelmaat acute TTP episoden en ischemische orgaancomplicaties op, het meest uitgesproken onder jonge kinderen (incidentie >1.0 per jaar).107, 111 Allergische reacties of volumeoverbelasting zijn bekende redenen waardoor plasma slecht verdragen wordt door relatief veel patiënten.
Sinds september 2025 is naast plasmasuppletie het recombinant ADAMTS13 enzymvervangingsmiddel apadamtase (Adzynma®) beschikbaar voor behandeling van kinderen en volwassenen (alle leeftijdsgroepen). Ten opzichte van plasmasuppletie wordt met dit middel na IV toediening hogere piekwaarden van ADAMTS13 activiteit bereikt (100% versus 23%) met een langere periode van ADAMTS13 activiteit ≥10% (5.2 dagen versus 1.7 dagen). Een multinationale, multicentrische fase 3 cross-over studie met apadamtase versus plasma in 48 patiënten met cTTP toonde echter geen reductie van acute TTP events op (1 versus 0 gedurende een behandelperiode van 6 maanden), mogelijk gerelateerd aan een relatief korte behandelperiode en inclusie van patiënten met vooral een relatief mild klinisch fenotype. De studie toonde wel een significante reductie van TTP manifestaties onder apadamtase, waaronder trombocytopenie, neurologische symptomen, en tevens minder bijwerkingen.112 De reductie van lange termijn orgaanschade zal uiteindelijk moeten worden vastgesteld vanuit registratiestudies met patiënten die apadamtase langdurig gebruiken.
Apadamtase wordt als weesgeneesmiddel onder strikte voorwaarden middels een add-on vergoed, conform het door ZN goedgekeurde weesgeneesmiddelprotocol dat werd opgesteld door de cTTP werkgroep in samenwerking met CieBAG. Patiënten dienen te voldoen aan onderstaande criteria en besproken te worden in de indicatiecommissie van de cTTP werkgroep. Behandeling is vooralsnog gelimiteerd aan cTTP behandelcentra. Er zal jaarlijks naar ZN over toepassing van het middel gerapporteerd worden vanuit de indicatiecommissie.
Definities
Acuut TTP event: trombotische micro-angiopathie met een minimaal 50% daling van trombocyten en/of minimale trombocytopenie van <100×109/L met een stijging van LDH > 2x boven de normaal waarde met/zonder klinische symptomatologie.
Ischemische orgaanschade van onderstaande organen/orgaanbetrokkenheid zonder aannemelijke andere etiologische verklaring dan een ADAMTS13 deficiëntie.
Apadamtase: plaats van toediening
Op moment van publicatie van de richtlijn is vergoeding van behandeling met apadamtase gelimiteerd tot de zes cTTP behandelcentra (UMCG, ErasmusMC, HagaZiekenhuis, Radboudumc, LUMC, AmsterdamUMC).
Apadamtase: behandelindicaties
Om voor behandeling met apadamtase in aanmerking te komen moet een patiënt voldoen aan de volgende startcriteria:
Aanmelding kan via werkgroepttp@hematologienederland.nl. Gebruik hiervoor het apadamtase-cTTP aanmeldformulier (beschikbaar via de NVVH website). In geval van een acute indicatie voor start van on demand behandeling is het toegestaan dat de indicatie achteraf besproken wordt in de indicatiecommissie, mits vooraf met minimaal twee leden van de commissie is afgestemd (bijvoorbeeld via TTP Doctolib app). Voor samenstelling van de indicatiecommissie, zie website NVVH.
Naast bovenstaande criteria moet tevens voldaan worden aan een criterium vermeld onder A of B:
Patiënten komen in aanmerking voor een onderhoudsbehandeling met apadamtase indien: een doorgemaakt acuut TTP event en/of bewijs van (passagère of persisterende) ischemische orgaanschade en/of aanwezigheid van chronische neuropsychiatrische symptomen, waarbij redelijkerwijs een causale relatie met de ADAMTS13 deficiëntie verondersteld wordt.
Hierbij is tevens van toepassing:
B. Startcriteria voor behandeling op indicatie (on demand):
Apadamtase: dosering
Apadamtase wordt als volgt gedoseerd:
Apadamtase: monitoring van respons
On demand behandeling ter behandeling van een acuut TTP event wordt geëvalueerd conform responscriteria voor iTTP. Doel is het zo snel mogelijk bereiken van een hCR (normalisatie van trombocyten), resolutie van nog reversibele klinische symptomatologie en voorkomen van nieuwe ischemische orgaanschade.
Evaluatie van klinische effectiviteit van profylactische behandeling dient minimaal na 3, 6 en daarna eenmaal per 12 maanden plaats te vinden door de cTTP werkgroep (vereiste rondom vergoeding van het middel). Gebruik hiervoor het apadamtase-cTTP responsevaluatie formulier (beschikbaar via de NVVH website).
De volgende criteria worden gebruikt bij de overweging om de behandeling met apadamtase te stoppen:
Als gevolg van een sterke toename van endotheliale VWF productie en afname van ADAMTS13 antigen is zwangerschap een bekende uitlokkende factor voor een acute TTP episode.113, 114 Zwangerschap gerelateerde TTP kan in elk trimester van de zwangerschap optreden, maar met name het 3e trimester en de postpartum periode betreft de risicoperiode.5 Binnen deze groep van zwangerschap gerelateerde TTP wordt bij de helft van patiënten geen ADAMTS13-autoantistoffen gevonden, zeer suggestief voor een diagnose van congenitale TTP met/zonder bewezen ADAMTS13 mutaties.108
Bij een eerste diagnose TTP, bewezen door verlaagde ADAMTS13 activiteit (<10%), dient altijd en zo spoedig mogelijk onderzoek naar antistoffen tegen ADAMTS13 worden ingezet. Bij ontbreken van neutraliserende of inhiberende ADAMTS13-antistoffen dient sterk rekening gehouden te worden met de diagnose congenitale TTP en genetisch vervolgonderzoek ingezet te worden, aangezien deze diagnose belangrijke beleidsconsequenties heeft voor de verdere behandeling.115 In afwachting van deze diagnostiek moet overwogen worden om nog niet te starten met rituximab, indien de klinische situatie dit toelaat. Caplacizumab is gecontra-indiceerd tijdens de zwangerschap.
Onderscheid tussen TTP en met andere oorzaken van TMA, zoals pre-eclampsie/HELLP en CaHUS, kan uitdagend zijn. Een belangrijke aanwijzing voor een andere diagnose dan TTP betreft een ADAMTS13 activiteit >20%.
Immuungemedieerde TTP in de zwangerschap wordt initieel behandeld met plasmaferese en prednison en afhankelijk van het stadium van de zwangerschap ook met rituximab. Caplacizumab heeft uit veiligheidsoogpunt geen plaats in de initiële behandeling.
Plasmawisseling en prednison worden gestart conform de adviezen buiten de zwangerschap. Prednison passeert niet de placenta, maar terughoudend t.a.v. gebruik van methylprednisolon is geboden gezien dit middel de placenta kan passeren, idem als dexamethason. Van belang is te realiseren dat bij normaliseren van het bloedbeeld onder plasmawisseling auto-antistofproductie tegen ADAMTS13 nog aanwezig kan zijn, zeker wanneer niet gestart wordt met rituximab. Derhalve kan overwogen worden om na bereiken van een hCR als onderhoudsbehandeling de plasmawisselingen (of eventueel plasmainfusies) te continueren op geleide van ADAMTS13 activiteit.
Behoudens een drietal case reports71-73 zijn er geen gegevens over veiligheid van caplacizumab tijdens de zwangerschap en tijdens het geven van borstvoeding. Door placenta-passage is er op theoretische gronden een verhoogd risico voor bloedingen bij de foetus. Gebruik van caplacizumab wordt daarom gedurende de gehele zwangerschap ontraden. In geval van levensbedreigende klinische situatie kan, afhankelijk van stadium van de zwangerschap, gebruik overwogen worden, waarbij de risico’s van (refractaire) i-TTP voor moeder afgewogen moeten worden tegen de potentiële nadelen voor het kind. Overleg in deze situatie met de landelijke werkgroep.
In het eerste trimester kan rituximab waarschijnlijk de placenta niet passeren, en er zijn geen negatieve zwangerschapsuitskomsten beschreven bij gebruik in deze periode. Rituximab kan (vanaf het 2e trimester) de placenta passeren en daarmee resulteren in een B-cel depletie bij de neonaat. Er zijn geen veiligheidsgegevens bekend over behandeling met rituximab in geval van i-TTP. In gepubliceerde casuïstiek in de niet-TTP setting werden geen negatieve klinische gevolgen bij het kind gezien,117-119 m.n. geen verhoogde incidentie van ernstige infecties of aangeboren afwijkingen. Gezien de effectiviteit van rituximab op herstel ADAMTS13 activiteit en daarmee op risicoreductie van iTTP-gerelateerde complicaties wordt het middel in naburige landen steeds laagdrempeliger geïncorporeerd in de eerstelijnsbehandeling van zwangerschap gerelateerde i-TTP. Op basis van deze gegevens adviseert de werkgroep om tijdens het 1e trimester rituximab standaard toe te voegen aan de behandeling van iTTP. Tijdens het 2e en 3e trimester van de zwangerschap moeten de voor- en potentiële nadelen van rituximab kritisch tegen elkaar afgewogen worden, met als sturende factoren de duur van zwangerschap, (snelheid van) respons op initieel gestarte therapie en inschatting van het risico op exacerbatie. Laagdrempelig overleg met de TTP werkgroep wordt aanbevolen.
Indien een pasgeborene tijdens de zwangerschap is blootgesteld aan rituximab mag deze géén levende vaccins krijgen tot het aantal perifere B-cellen hersteld is. Rituximab gaat in slechts kleine hoeveelheden over naar de moedermelk zonder nadelige klinische effecten (geen daling van B-cellen in kind).120, 121 Desalniettemin wordt vanwege gebrek aan bewijs en onbekendheid van langetermijngevolgen borstvoeding ontraden tot 6 maanden na rituximab behandeling.
Bij persisteren van lage ADAMTS13 activiteit dan wel ontstaan van een immunologisch recidief tijdens zwangerschap moet overwogen worden om profylactische plasmawisseling te continueren cq te starten, met als doel om de zwangerschap veilig te overbruggen.122 Internationale experts houden hier het volgende aan, zonder ondersteuning van gepubliceerde data:
In geval van immunologische refractairiteit op bovenstaande behandeling kan aanvullende immuunsuppressieve therapie overwogen worden: gezien de beperkte risico’s van rituximab verdient dit middel de voorkeur indien het nog niet gegeven. Met azathioprine en ciclosporine is (buiten setting van TTP) ruime ervaring tijdens de zwangerschap en deze middelen lijken veilig voor de foetus.123
In geval van bedreigende klinische progressie onder plasmawisseling en corticosteroïden dient inleiding van bevalling cq premature beëindiging van de zwangerschap overwogen te worden naast de behandeladviezen zoals beschreven in hoofdstuk 7.2. Er is zeer beperkte casuïstiek van gebruik van recombinant ADAMTS13 in deze setting met goede uitkomsten voor moeder en kind.124, 125Het middel is voor deze indicatie niet regulier beschikbaar en wordt niet vergoed. Overleg in deze situaties met de landelijke werkgroep.
In onderstaande tabel staan de adviezen met betrekking tot frequentie en bepalingen weergegeven.
|
Termijn |
Handelingen |
|
Vanaf 8 weken |
1x/8 weken RR controle, bloedbeeld, LDH, bilirubine, ASAT, ALAT, ADAMTS13. |
|
Vanaf 28 weken |
Maandelijks RR controle, bloedbeeld, LDH, bilirubine, ASAT, ALAT. Maandelijks ADAMTS13. |
|
Week 1-4 postpartum |
1x/week RR controle, bloedbeeld, LDH, bilirubine, ASAT, ALAT. In week 4 ADAMTS13. |
|
Bij dalend ADAMTS13 |
Intensiveer controle frequentie (interval afhankelijk van AD, mate van daling) |
|
Bij stijging LDH, daling trombocyten |
Dagelijks controle. ADAMTS13. |
|
Bij (beginnende) TTP* |
Start plasmawisseling + corticosteroïden (1 mg/kg) volgens protocol TTP behandeling. |
* Trombocyten <100 x 109/L, Hb daling >0.5 mmol/L, LDH stijging >20%, fragmentocyten in de differentiatie.
In geval van immunologische remissie (ADAMTS13 act >10%) kan spontane inzet van partus afgewacht worden; vroegtijdig inzetten van partus is hierbij niet geïndiceerd.
In geval van een immunologisch recidief of refractairiteit met hematologische remissie wordt gepoogd middels profylactische onderhoudstherapie een klinisch recidief te voorkomen en de zwangerschap te laten voldragen. De werkgroep is van mening dat overwogen kan worden om de bevalling rond 37 weken actief in te leiden, mede om zo snel mogelijk postpartum pre-emptieve behandeling met rituximab te kunnen starten.
Er ontbreekt casuïstiek omtrent eventuele risico’s voor het pasgeboren kind. Echter, gezien IgG antistoffen de placenta kunnen passeren, is bij nog circulerende antistoffen in voldoende titers op theoretische gronden een risico op TTP activiteit bij het pasgeboren kind niet uit te sluiten. Op basis hiervan komt de werkgroep tot onderstaande adviezen:
Na de bevalling vervalt de contra-indicatie voor start van caplacizumab. Op individuele gronden dient een afweging gemaakt te worden tot continueren van plasmatherapie versus start van caplacizumab (met stop plasma-infusies), waarbij duur en hematologische stabiliteit vooraf aan partus, verwachtingen t.a.v. (snelheid) herstel ADAMTS13 activiteit, fase van/na pre-emptief rituximab, en wens tot geven van borstvoeding bepalende factoren kunnen zijn. Borstvoeding is gecontra-indiceerd bij gebruik van caplacizumab. Overleg in deze situaties met de landelijke werkgroep.
Gezien de relatieve zeldzaamheid van de aandoening en de grote kans op complicaties verdient het de voorkeur dergelijke zwangerschappen te laten begeleiden in gespecialiseerde centra, waarbij patiënten al verwezen dienen te worden in de preconceptionele fase voor een preconceptioneel onderzoek en advies.
Patiënten moeten op de hoogte gebracht worden van de te verwachten complicaties bij moeder en kind, zoals recidief TTP, pre-eclampsie en foetale dood. Deze risico’s gelden zowel voor immuungemedieerde als congenitale TTP. M.n. een recidief in het 2e trimester geeft een sterk verhoogd risico op foetale dood t.g.v. een op dat moment nog onvoldoende ontwikkelde placentaire capaciteit. In een USA registratie van 16 zwangerschappen in 10 vrouwen met i-TTP verliepen 10 zwangerschappen (63%) zonder complicaties en leidden 13 zwangerschappen (81%) tot de geboorte van een gezond kind. Recidief TTP trad in 2 zwangerschappen (12.5%) laat in de zwangerschap op en 5 (31%) zwangerschappen werden gecompliceerd door pre-eclampsie.5, 126, 127 Recente Franse observationele data toonden vergelijkbare uitkomsten.108
Voor i-TTP geldt: sterk verlaagde ADAMTS13 activiteit (<10%) geeft een grotere kans op een recidief TTP gedurende de zwangerschap met secundaire maternale en foetale complicaties.128 De beperkte case series suggereren dat een normaal ADAMTS13 gehalte sterk voorspellend is voor een veilige ongecompliceerde zwangerschap. In geval van een ADAMTS13 activiteit <10% of sterk dalende trend van ADAMTS13 dient pre-emptief rituximab overwogen te worden. Indien behandeling vooraf aan een (geplande) zwangerschap mogelijk is, kan ter reductie van de kleine risico’s en waar mogelijk overwogen worden om conceptie uit te stellen tot minimaal zes maanden na de laatste gift.5, 127
Lage tot afwezige ADAMTS13 activiteit zonder aanwezigheid van auto-antistoffen tegen ADAMTS13 wijst op de congenitale vorm van TTP, veroorzaakt door een homozygote of compound heterozygote ADAMTS13 genmutaties. Behandeling is gericht op suppletie van functioneel ADAMTS13, zie voor details hoofdstuk 6. Tijdens de zwangerschap gelden de volgende behandeladviezen:122, 129, 130
Behandeling van (verdenking op) CaHUS met eculizumab dient plaats te vinden volgens (consensus) advies van de indicatie-commissie van de landelijke werkgroep CaHUS (zie figuur 7). Overleg bij de verdenking op CaHUS met het lid van de landelijke werkgroep in het dichtstbijzijnde academische centrum. De patiënt-casus zal door het desbetreffende lid met 3 andere leden van de werkgroep (indicatie-commissie) besproken worden, waarna advies wordt gegeven over behandeling met eculizumab.
Het algoritme is gebaseerd op resultaten van prospectieve studies en expert-opinie van de werkgroep leden. De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd:

Figuur 6. Behandeling van CaHUS.
Vaccinatie
LET OP: voorafgaande aan start eculizumab of tenminste zo snel mogelijk indien eculizumab therapie geïndiceerd is:
Antibiotica profylaxe
Veiligheidsinformatie aan patiënt met betrekking tot eculizumab behandeling
Eculizumab wordt altijd intraveneus toegediend (nefrologie /kindernefrologie UMCs).
Inductieschema eculizumab142
|
Gewichtsklasse volwassen patiënt |
Dosering eculizumab (dag 0) |
Dosering eculizumab (≥dag 14) * |
|
40-60kg |
1500 mg |
1200 mg |
|
60-90kg |
1800 mg |
1200 mg |
|
90-120kg |
2100 mg |
1200 mg |
|
≥120 kg |
2400 mg |
1200 mg |
|
Gewichtsklasse kind (<40kg) |
Dosering eculizumab (dag 0) |
Dosering eculizumab (≥dag 14) |
|
5-10 kg |
300 mg |
Conform farmacotherapeutisch kompas |
|
10-30 kg |
600 mg |
Conform farmacotherapeutisch kompas |
|
30-40 kg |
900 mg |
Conform farmacotherapeutisch kompas |
*op dag 14 begint de onderhoudsfase van de behandeling. De eerste gift in de onderhoudsfase is meestal 1200 mg eculizumab bij volwassenen (of de dosering zoals beschreven in het farmacotherapeutisch kompas bij kinderen). Vervolgens wordt geadviseerd om dalspiegels eculizumab te meten en het doseringsinterval (of dosis) aan te passen op geleide van deze spiegels (therapeutic drug monitoring).
De gepubliceerde klinische trial laten zien dat er meestal een normalisatie van trombocyten aantal optreedt in 7 dagen, gevolgd door normalisatie van LDH rond 14 dagen. Een verbetering in eGFR volgt hierna131. Indien geen verbetering van nierfunctie na 1 maand behandeling: herevalueren diagnose, en bespreken landelijke CaHUS werkgroep gezien kans op verbetering nierfunctie onder behandeling van eculizumab na deze 1e maand zeer gering is.
Patiënten met een recidief CaHUS worden, na overleg met de landelijke werkgroep, behandeld met eculizumab. In principe wordt eculizumab na behandeling van een recidief CaHUS ook weer gestaakt, waarbij de duur van therapie afhankelijk is van de respons op eculizumab (zoals boven beschreven) en patiënt gerelateerde factoren (o.a. eGFR, recidief frequentie).
Bij de behandeling van deze vorm van CaHUS dient volgens de landelijke werkgroep CaHUS aan onderstaande uitgangspunten voldaan te worden:
*NB 1: bij de risico-inschatting spelen vele factoren een rol (voorgeschiedenis, eerdere ingrepen, zwangerschappen etc). Voorgesteld wordt om patiënten met een intermediair (matig verhoogd) risico te bespreken om te komen tot consensus over het beleid.
$ NB2: indien er geen genetische variaties worden gevonden is het essentieel dat de diagnose CaHUS bij de ontvanger terecht is gesteld. Immers, het stellen van de diagnose CaHUS zal leiden tot het niet accepteren van een verwante donor.
In het algemeen is een zwangerschap voor een patiënte met CaHUS een risico. Dit komt omdat een recidief CaHUS zich kan voordien in de zwangerschap.
Daarnaast brengt een zwangerschap bij een patiënt met een chronische nierinsufficiëntie ook risico’s met zich mee.143
Algemene richtlijnen zijn niet te maken. Gezien de relatieve zeldzaamheid van de aandoening en de voortdurend nieuwe ontwikkelingen bij de behandeling en preventie van CaHUS is het raadzaam om dergelijke patiënten met zwangerschapswens te verwijzen naar één van de academische centra voor preconceptioneel onderzoek en advies.
Sterkte van aanbevelingen op basis van SORT systematiek



Anno januari 2026 heeft de commissie Beoordeling Add-on Geneesmiddelen van Zorgverzekeraars Nederland (cieBAG) een positief oordeel afgegeven en is behandeling met caplacizumab in onderstaande centra mogelijk:
|
Albert Schweitzer Ziekenhuis, Dordrecht |
|
Amphia Ziekenhuis, Breda |
|
Amsterdam Universitair Medisch Centrum, Amsterdam |
|
Catharina Ziekenhuis, Eindhoven |
|
Canisius Ziekenhuis, Nijmegen |
|
Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam |
|
Flevoziekenhuis, Almere |
|
Franciscus Gasthuis, Rotterdam |
|
Gelre Ziekenhuizen, Apeldoorn |
|
HagaZiekenhuis, Den Haag |
|
Isala Kliniek, Zwolle |
|
Jeroen Bosch Ziekenhuis, ’s Hertogenbosch |
|
Leids Universitair Centrum, Leiden |
|
Maasstad Ziekenhuis, Rotterdam |
|
Maastricht Universitair Centrum, Maastricht |
|
Maxima Medisch Centrum, Eindhoven |
|
Meander MC, Amersfoort |
|
Medisch Centrum Leeuwarden, Leeuwarden |
|
Medisch Spectrum Twente, Enschede |
|
OLVG, Amsterdam |
|
Radboud Universitair Medisch Centrum, Nijmegen |
|
Rijnstate Ziekenhuis, Arnhem |
|
St. Antonius, Nieuwegein |
|
Universitair Medisch Centrum Groningen, Groningen |
|
Universitair Medisch Centrum Utrecht, Utrecht |
|
Zuyderland, Heerlen |
Nadler formule totaal bloedvolume (L)48
Waarbij: Ht = hematocriet; G = gewicht (kg)
Linderkamp monogram49
Trek een lijn tussen gewicht en lengte en lees het bijbehorende bloedvolume af op de voor geslacht en leeftijd specifieke verticale balk.

Opgesteld door de landelijke werkgroep CaHUS in samenwerking met Immunostart (kwaliteitsproject met als doel de preventieve zorg voor immuungecompromitteerde patiënten te verbeteren, initiatief van afdeling infectieziekten UMCU, Immuno-start).
Vaccinatieschema MenACWY en B bij CaHUS patienten met eculizumab behandeling (pdf)
© 2022. Alle rechten voorbehouden
INITIATIEF
Werkgroep niet-oncologische hematologie van de Nederlandse Vereniging voor Hematologie
Nederlandse Federatie voor Nefrologie
IN SAMENWERKING MET
Richtlijnencommissie van Nederlandse Federatie voor Nefrologie
Landelijke werkgroep CaHUS (voorheen aHUS)
GEAUTORISEERD DOOR:
Nederlandse Vereniging voor Hematologie
Nederlandse Federatie voor Nefrologie