Terug naar het richtlijnenoverzicht
Gebaseerd op KDIGO 2024 “lupus nephritis”[1] als revisie van hoofdstuk 10 van KDIGO glomerulaire ziekten van 2021
Nederlandse NFN richtlijn is als volgt opgebouwd:
De richtlijn bevat aanbevelingen van algemene aard. Het is mogelijk dat in een individueel geval deze aanbevelingen niet van toepassing zijn. Het is de verantwoordelijkheid van de behandelend arts te beoordelen of de richtlijn in de praktijk toepasbaar is. Er kunnen zich feiten of omstandigheden voordoen waardoor, in het belang van een goede zorg voor de patiënt, van een richtlijn moet worden afgeweken.
Peer reviewed door
Verantwoordelijke leden van de Richtlijnencommissie NFN:
Drs. E.M. (Ellen) van Ommen: Het RadboudUMC heeft consultancyvergoedingen ontvangen van Roche, Otsuka en GSK consultancywerkzaamheden door Drs. E.M. van Ommen.
Dr. M. (Marc) Hilhorst : Het Amsterdam UMC heeft consultancy honoraria ontvangen van Astra-Zeneca, Chiesi, Fresenius Medical BV, Novartis, Otsuka Pharma BV, Roche en CSL Vifor voor consultancywerkzaamheden verricht door Marc Hilhorst. Het Amsterdam UMC heeft een research grant ontvangen van Otsuka Pharma BV ten behoeve van een investigator-initiated study verricht door Marc Hilhorst.
Prof. Dr. Y.K.O. (Onno) Teng : Het LUMC heeft een unrestricted research grant ontvangen van GlaxoSmithKline, CSL Vifor en Novartis ten behoeve van investigator-initiated studies uitgevoerd door Prof. dr. Y.K.O. Teng. Het LUMC heeft consultancyvergoedingen ontvangen van AstraZeneca, Alexion, GSK, Novartis, Otsuka Pharmaceuticals, Roche, Sobi en CSL Vifor voor consultancywerkzaamheden verricht door Prof. dr. Y.K.O. Teng.
De overige auteurs hebben verklaard geen belangen te hebben om op te geven.
In dit hoofdstuk worden adviezen gegeven voor de behandeling van systemische lupus erythematodes (SLE) met renale betrokkenheid, die bij 20-60% van de patiënten met SLE in de loop van hun leven optreedt. De focus ligt daarbij op immuuncomplex gemedieerde glomerulonefritis, maar andere vormen van renale schade door SLE worden ook besproken. Waar mogelijk wordt het wetenschappelijk bewijs voor de aanbevelingen gebaseerd op GRADE systematiek. Bij gebrek aan bewijs uit (gerandomiseerde) onderzoeken zijn de aanbevelingen gebaseerd op expert opinion en ondergebracht in practice points. Behandeling van kinderen met SLE nefritis wordt alleen summier besproken in practice point 10.3.3.1
Practice Point 10.1.1: Approach to the diagnosis of kidney involvement in systemic lupus erythematosus (SLE) (Figure 1)

Figure 1 | Diagnosis of kidney involvement in systemic lupus erythematosus. anti-dsDNA, anti-double-stranded deoxyribonucleic acid; eGFR, estimated glomerular filtration rate.
Onderbouwing:
Alle patiënten met systemische lupus erythematodes (SLE) dienen regelmatig gecontroleerd te
worden op het ontstaan van renale betrokkenheid, omdat de renale betrokkenheid gedurende langere tijd asymptomatisch kan zijn, terwijl (irreversibele) chronische schade plaatsvindt. Incidentie van lupus nefritis is hoger bij niet-Kaukasische populatie en bij eerste presentatie van SLE op kinderleeftijd.
Bij persisterende proteïnurie van meer dan 0.5 gram/dag (eiwit/kreatinine ratio (EKR)>0.5 gram/10mmol kreatinine) en/of verlaagde/dalende eGFR (Fig. 1) is een nierbiopsie geïndiceerd om de ernst van de renale betrokkenheid en mate van actieve en chronische afwijkingen vast te stellen aangezien alleen actieve afwijkingen zullen reageren op behandeling. Nierbiopsie dient beoordeeld te worden volgens de ISN/RPS 2018 classificatie (InternationalSociety of Nephrology/Renal Pathology Society) en dient zo veel mogelijk ook met elektronenmicroscopie beoordeeld te worden om uitgebreidheid en ernst van podocytopathie en locatie van immuun deposities te kunnen beoordelen (Fig. 2).

Figure 2 | Activity and chronicity items included in lupus nephritis kidney biopsy report. NIH, National Institutes of Health, USA.
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
| Recommendation 10.2.1.1: We recommend that patients with SLE, including those with lupus nephritis (LN), be treated with hydroxychloroquine or an equivalent antimalarial unless contraindicated (1C). |
Onderbouwing:
Omdat grote prospectieve RCTs ontbreken in patiënten met lupus nefritis is deze aanbeveling gebaseerd op enerzijds het gunstige veiligheidsprofiel van hydroxychloroquine (HCQ) en anderzijds de gerapporteerde voordelen in observationele studies.
Gerapporteerde voordelen van HCQ:
Mogelijke bijwerkingen van HCQ:
Dosis HCQ:
Voorzorgen bij behandeling met HCQ:
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
Zie voor meer informatie en adviezen over retinopathie bij gebruik HCQ, richtlijn Toxiciteitsmonitoring (Retinopathie bij gebruik (hydroxy)chloroquine – Richtlijn – Richtlijnendatabase)
Practice Point 10.2.1.1: Adjunctive therapies to manage LN and attenuate complications of the disease or its treatments should be considered for all patients, as outlined in Figure 3.

Figure 3 | Measures to minimize the risk of complications related to lupus nephritis or its treatment. Note: Chapter 1 refers to Chapter 1 of the KDIGO Guideline on Glomerular Diseases. AKI, acute kidney injury; CKD, chronic kidney disease; HBV, hepatitis B virus; HCV, hepatitis C virus; HIV, human immunodeficiency virus; RAAS, renin–angiotensin-aldosterone system; SGLT2, sodium-glucose cotransporter-2.
Onderbouwing:
Bij patiënten met lupus nefritis zijn alle algemene adviezen die gelden voor patiënten met proteïnurische nierziekten en worden behandeld met immunosuppressiva ook van toepassing (zie hoofdstuk 1 glomerulaire ziekten), maar bij SLE patiënten met lupus nefritis zijn een aantal risico’s meer relevant. Patiënten met SLE hebben een hoger risico op sterfte t.o.v. voor leeftijd en geslacht gecorrigeerde algemene populatie. Infecties, cardiovasculaire morbiditeit en chronische nierschade (CNS) vormen de belangrijkste doodsoorzaken. Infecties en lupus activiteit zijn de belangrijkste oorzaken van vroege sterfte, terwijl late sterfte wordt veroorzaakt door CV morbiditeit, maligniteit en nierfalen. Infecties vormen de belangrijkste doodsoorzaak tijdens inductie behandeling met intensieve immuunsuppressie. Er zijn geen gecontroleerde onderzoeken beschikbaar over de effectiviteit en veiligheid van profylactische maatregelen om infecties te voorkomen.
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
Practice Point 10.2.2.1: Approach to immunosuppressive treatment for patients with Class I or Class II LN (Figure 4)

Figure 4 | Immunosuppressive treatment for patients with Class I or Class II lupus nephritis. Note: Chapter 5 refers to Chapter 5 of the KDIGO Guideline on Glomerular Diseases.
Onderbouwing:
Het merendeel van de patiënten met klasse 1-2 LN hebben een normale nierfunctie en hoogstens matige proteïnurie met soms ook glomerulaire hematurie. Voor deze patiënten is immuunsuppressie alleen geïndiceerd voor extrarenale manifestaties.
Patiënten met deze klasse LN en nefrotische range proteïnurie of full-blown nefrotisch syndroom worden geacht lupus podocytopathie te hebben, dat bevestigd moet worden met EM onderzoek en dienen op dezelfde manier als patiënten met minimal change nefropathie of FSGS behandeld te worden. Observationele data suggereren 90% respons op glucocorticoïd monotherapie met remissie binnen mediaan 4 weken. Beperkt beschikbare data suggereren een hoog relapse risico zodat een onderhoudsbehandeling met lage dosis glucocorticoïd aangevuld met MPAA, azathioprine of CNI zinvol lijkt, met name bij patiënten met een voorgeschiedenis met relapse.
Commentaar:
Geen aanvullend NFN praktijkadvies.
10.2.3.1 Initial therapy of active Class III/IV lupus nephritis (fig 5)
|
Recommendation 10.2.3.1.1: We recommend that patients with active Class III or IV LN, with or without a membranous component, be treated initially with glucocorticoids plus any one of the following:
|

Figure 5 | Recommended approach for initial therapy of Class III/IV lupus nephritis. Caution is warranted when calcineurin inhibitors (CNI) are used in patients with significantly impaired renal function, in view of increased susceptibility for severe consequences due to CNI nephrotoxicity. The estimated glomerular filtration rate (eGFR) and serum creatinine (SCr) levels stated in the figure were patient selection criteria adopted in the respective clinical trials. †Refer to Figure 7 for examples of glucocorticoid treatment regimens. ‡Refer to Figure 9 for durations of CNI or belimumab treatment in clinical trials. §Refer to Figure 6 for comments on cyclophosphamide regimens. Note: Chapter 5 refers to Chapter 5 of the KDIGO Guideline on Glomerular Diseases; b.i.d., twice daily; i.v., intravenous; MMF, mycophenolate mofetil; p.o., oral; q2wk, every 2 weeks; q4wk, every 4 weeks; s.c., subcutaneous.
Onderbouwing:
Klinische trials hebben overduidelijk aangetoond dat een combinatie van glucocorticorticoïden met één of twee andere immunosuppressiva effectief zijn voor behandeling van actieve LN, waarbij er op individuele gronden een keuze moet worden gemaakt voor dubbel therapie of triple therapie hetgeen uitgebreider toegelicht wordt in onderstaande practice points 10.2.3.1.1-10.2.3.1.5. In de trials met triple therapie was het gunstige effect van toevoeging van een CNI het gevolg van sterkere reductie van proteïnurie en toevoeging van belimumab van minder slechte renale uitkomst.
Op lange termijn (>10 jaar) is evidence dat de combinatie van cyclofosfamide en prednison effectiever is dan steroïden alleen t.a.v. bescherming van de nierfunctie. Voor de combinatie van steroïden met CNI en/of belimumab zijn de lange-termijn uitkomsten nog schaars.
Aanbevelingen zijn over het algemeen niet van toepassing op patiënten met CNS stadia G3b-G5 die meestal uitgesloten werden in de beschikbare trials.

Figure 6 | Cyclophosphamide dosing regimens, combined with glucocorticoids, in initial treatment for active Class III/IV lupus nephritis. i.v., intravenous; max, maximum; NIH, National Institutes of Health, USA; p.o., oral.
Commentaar:
NFN praktijkadvies (zie ook figuur 1 NFN onderaan dit commentaar):
Het doel van de behandeling is behoud van nefronen en voorkómen van nierfunctie achteruitgang, plus snelle remissie bereiken met zo weinig mogelijk toxiciteit van behandeling. Er zijn geen head-to-head studies die de verschillende behandelcombinaties met elkaar vergelijken. Onderstaand NFN praktijk advies is derhalve expert opinion. Bij het opstellen van dit advies is enerzijds meegenomen dat triple therapie vanaf een vroeg tijdsmoment mogelijk nefronen spaart en later intensiveren van medicatie geen schade voorkomt, anderzijds de nadelen dat een deel van de patiënten te veel immunosuppressiva krijgt en de hoge kosten van de nieuwe behandelopties. Inmiddels is Obinutuzumab in Nederland geregistreerd voor de behandeling van LN en daarom ook meegenomen in dit NFN advies.
Stap 1, keuze tussen MPAA of cyclofosfamide:
Naast corticosteroïden (methylprednisolon iv en prednisolon oraal) dient gekozen te worden tussen MPAA of cyclofosfamide (waarbij intravenous de voorkeur heeft boven oraal). Bij het maken van deze keuze dienen voorkeur van patiënt, therapietrouw, vruchtbare leeftijd, eerdere blootstelling aan cyclofosfamide en etniciteit meegenomen te worden. Bij niet Kaukasische patiënten heeft MPAA een lichte voorkeur boven cyclofosfamide.
Stap 2, voeg een derde middel toe
Er zijn geen head-to-head studies gedaan met CNI’s, belimumab en obinituzumab. Bij het maken van deze keuze dienen de voorkeur voor orale versus injecteerbare/infusie medicatie, de mate van proteïnurie, de eGFR en de aanwezigheid van systemische extrarenale manifestaties te worden meegenomen. Specifiek toevoegen van CNI’s (tacrolimus of voclosporine) wordt geadviseerd bij eGFR > 45 ml/min/1,73 m2en proteïnurie > 3 gram/dag. Voclosporine laat een grotere effectiviteit zien bij patiënten die al zijn blootgesteld aan MPAA. Er zijn geen vergelijkende studies verricht tussen de verschillende CNI’s. Gezien de ruime klinische ervaring en verschil in kosten, gaat onze voorkeur uit naar tacrolimus.
Specifiek toevoegen van belimumab wordt geadviseerd bij extrarenale manifestaties zoals artritis en/of cutane betrokkenheid en indien er bij eerste presentatie sprake is van een verminderde nierfunctie (eGFR < 60 ml/min/1,73 m2). Vergeleken met patiënten die nog niet eerder behandeld zijn, laat belimumab een grotere effectiviteit zien bij patiënten die een relapse hebben gehad. Belimumab toevoegen bij pure klasse V LN en/of proteïnurie > 3 gram/dag heeft niet de voorkeur, gezien ontbreken van duidelijk effect op proteïnurie.
Specifiek toevoegen van Obinutuzumab kan bij patiënten met LN klasse III/IV +/- V en een eGFR > 30 ml/min/1,73 m2 en > 1 gram proteïnurie/dag. Bij de afweging tussen obinituzumab of belimumab kan de wens tot intraveneuze versus subcutane toediening worden meegenomen. Het is belangrijk om te realiseren dat er geen lange termijn (> 1 jaar) data van obinutuzumab beschikbaar zijn bij deze indicatie.
De aanbevolen dosering van het ZiN is overgenomen uit de REGENCY trial (R.A. Furie et al, NEJM 2025)
Tabel Dosering obinutuzumab voor patiënten met lupus nefritis
|
Dosisnummer |
Behandeldag |
Dosis |
|
1 |
Eerste infusie |
1000 mg |
|
2 |
Twee weken na dosis 1 |
1000 mg |
|
3 |
Week 24 |
1000 mg |
|
4 |
Twee weken na dosis 3 |
1000 mg |
|
5 en daarna |
Om de zes maanden |
1000 mg |
In tegenstelling tot de studies met belimumab en CNI zien we bij obinutuzumab meer infecties dan bij de duo-therapie. Mogelijk heeft dit te maken met de hoge dosering die in de REGENCY trial is gekozen (5 giften in 1 jaar) en daarmee langdurige B-cel-depletie. Bij patiënten die na 2 giften reeds een goede klinische (en serologische) respons laten zien kan overwogen worden om de volgende giften achterwege te laten.
Duotherapie:
De optie van duotherapie is bewust behouden voor patiënten met een eGFR > 60 ml/min/1,73m2, proteïnurie < 3 gram/dag en eerste ziekte-episode. De klinische ervaring is dat een groot deel van deze patiënten remissie kan bereiken met duotherapie, waarbij minder toxiciteit ten gevolge van extra immuunsuppressie én kostenbesparing de voordelen zijn.
Om de veiligheid van deze patiënten te waarborgen is evaluatie na 3 maanden noodzakelijk. Bij niet bereiken van minimaal partiële remissie dient er een derde middel te worden toegevoegd. Zie hierboven de overwegingen over de keuze van dit derde middel.
Voor centra met weinig of zonder ervaring met LN of triple therapie wordt geadviseerd laagdrempelig de indicatie en/of respons te bespreken met een centrum met specifieke deskundigheid. Er dient dan ook overwogen te worden of eventuele deelname aan lopende studies mogelijk is.
Figuur 1 NFN Overzicht van behandelopties bij LN

Practice Point 10.2.3.1.1: A regimen of reduced-dose glucocorticoids following a short course of methylprednisolone pulses may be considered during the initial treatment of active LN when both the kidney and extrarenal disease manifestations show satisfactory improvement (Figure 7).

Figure 7 | Examples of glucocorticoid regimens for lupus nephritis. max, maximum.
Onderbouwing:
Glucocorticoïden blijven een essentieel onderdeel van de initiële behandeling van LN doordat het direct effect heeft op de vaak uitgebreide intrarenale ontsteking. Het nut van initiële toediening van methylprednison is niet uitgebreid onderzocht, maar expert opinion acht dit onderdeel van de standaardbehandeling van het klinisch beeld van snel progressieve glomerulonefritis in kader van LN. Door de opkomst van nieuwe, effectieve immunosuppressiva zijn in de trials in de loop der jaren geleidelijk lagere doseringen steroïden gegeven. Ondanks ontbreken van grotere vergelijkende onderzoeken wordt ook in de dagelijkse praktijk bij duo of triple therapie inmiddels gekozen voor matige of zelfs lage startdosis met snelle afbouw (fig. 7) mede op geleide van klinische respons van zowel renale als extrarenale manifestaties.
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
Practice Point 10.2.3.1.2: Intravenous cyclophosphamide can be used as the initial therapy for active Class III and Class IV LN in patients who may have difficulty adhering to an oral regimen.
Onderbouwing:
Hoge dosis cyclofosfamide (NIH schema) oraal en intraveneus zijn bewezen effectief in alle etnische populaties en alle niveaus van ernst van de ziekte. Lagere dosis (Eurolupus schema) is even effectief gebleken in voornamelijk Kaukasische patiënten met matig ernstige ziekte en is het minst toxisch op korte en lange termijn (zie fig. 6 voor doseringen). Intraveneuze toediening heeft een lagere kans op blaas toxiciteit dan orale toediening.
Risico op toekomstige hematologische maligniteit is gerelateerd aan totale lifetime blootstelling (>36 g) en hetzelfde geldt voor myelofibrose (>80 g).
Kans op prematuur ovarieel falen is afhankelijk van totale lifetime blootstelling, maar ook van leeftijd (jonge tot oudere pediatrische patiënten >7.5-15 g/m2 en >300 mg/kg voor volwassenen)
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
Practice Point 10.2.3.1.3: An MPAA-based regimen is the preferred initial therapy of proliferative LN for patients at high risk of infertility, such as patients who have a moderate-to-high prior cyclophosphamide exposure.
Onderbouwing:
In de ALMS trial was hoge dosis MPAA (streefdosis 3 g/dag) even effectief, maar ook even toxisch als cyclofosfamide met vergelijkbare mortaliteit door infecties, waarbij mogelijk de hoge dosis steroïden en de hoge expositie aan MPAA in deze trial een rol heeft gespeeld. Aangezien in Kaukasische niertransplantatie patiënten MPAA dosis van 3 g/dag niet effectiever is dan 2 g/dag kan overwogen worden om in niet-negroïde patiënten te kiezen voor lagere dosis van 2 g/dag. Etniciteit lijkt een rol te spelen aangezien post-hoc analyse van de ALMS trial significant hogere respons op MPAA liet zien in Hispanics en patiënten uit Zuid-Amerika en alleen numerieke, maar niet significant hogere respons in negroïde patiënten. In cohort studies was respons alleen numeriek, maar niet significant hoger in Aziatische patiënten. Bij (zeer) ernstige vormen van proliferatieve LN met >15% crescents en verhoogd kreatinine bij presentatie is de vroege respons op MPAA vergelijkbaar met cyclofosfamide, maar zijn er aanwijzingen dat de respons bij cyclofosfamide langer behouden blijft en dat de lange termijn renale uitkomst gunstiger is. In de ALMS trial waren er ook numeriek minder flares bij cyclofosfamide.
Aangezien MPAA farmacokinetiek grote interindividuele variatie vertoont is het mogelijk zinvol om therapeutic drug monitoring te verrichten, waarbij kleine studies suggereren dat een AUC van 35-45 mg*uur/liter of een dalspiegel van 3.0-4.5 mg/l adequate exposure geven tijdens inductie behandeling.
Bij gastro-intestinale intolerantie kan de MPAA vervangen worden door slow-release, enteric coated mycofenolzuur.
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
Practice Point 10.2.3.1.4: Initial therapy with an immunosuppressive regimen that includes a CNI (voclosporin, tacrolimus, or cyclosporine) may be preferred in patients with relatively preserved kidney function and nephrotic range proteinuria likely due to extensive podocyte injury, as well as patients who cannot tolerate standard-dose MPAA or are unfit for or will not use cyclophosphamide based regimens.
Onderbouwing:
In Azië bleek triple therapie met steroïden, vaste lage dosis tacrolimus (bereikte dalspiegel 5.2-5.5 µg/l) en lage dosis MPAA (1000 mg/dag) op korte termijn (6 maanden) hogere en snellere renale respons te geven dan het NIH cyclofosfamide schema en vergelijkbare respons op langere termijn. Niet significant, maar numeriek meer infecties in de groep met triple therapie.
In de grote AURA-LV fase 2 en AURORA fase 3 met patiënten met eGFR >45 ml/min/1.73m2 gaf vaste dosis voclosporine toegevoegd aan MPAA in combinatie met lage dosis steroïden in vergelijking met placebo na 1 jaar hogere renale respons van 41% vs. 23% (proteïnurie < 50 mg/mmol, eGFR >60ml/min/1.73m2 of daling <20% en prednison dosis <10 mg/dag in laatste 8 weken vóór eindpunt).
Voclosporine heeft door sterkere binding aan calcineurine een meer consistent farmacokinetische-farmacodynamische relatie dan andere CNI’s waardoor therapeutic drug monitoring waarschijnlijk niet noodzakelijk is. Voclosporine is een analoog van cyclosporine, maar met een sterkere calcineurine remming.
In AURA-LV en AURORA werd volgende schema gebruikt:
Belangrijkste voordeel van CNI’s is de snellere reductie van proteïnurie met echter hoge incidentie van renale relapses als deze al na 6 maanden gestaakt worden. Derhalve is nog onzeker wat optimale duur van behandeling met CNI’s is en hoe zij afgebouwd moeten worden. Daarnaast bestaan er nog twijfels over de lange termijn veiligheid voor nierfunctie en de mogelijke nadelige metabole effecten met ongunstig effect op cardiovasculaire risico.
CNI’s zijn niet onderzocht in combinatie met cyclofosfamide en prednison.
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
Practice Point 10.2.3.1.5: A triple immunosuppressive regimen of belimumab with glucocorticoids and either MPAA or reduced-dose cyclophosphamide may be preferred in patients with repeated kidney flares or at high risk for progression to kidney failure due to severe chronic kidney disease.
Onderbouwing:
In de fase 3 BLISS-LN bleek toevoeging van belimumab aan standaard MPAA of Eurolupus cyclofosfamide na 2 jaar ten opzichte van placebo te leiden tot hogere renale respons van 43% vs. 32% (proteïnurie <70 mg/mmol, eGFR >60 ml/min/1.73m2 of daling <20%, en zonder rescue therapie). Belimumab was ook beter voor de secundaire eindpunten complete renale respons, risico op renale events en overlijden. In post hoc analyse was effectiviteit van belimumab beperkt tot achtergrondbehandeling met MPAA en proteïnurie in non-nefrotische range. In negroïde patiënten was belimumab ook effectiever dan placebo, maar was respons lager dan in de overige etnische groepen. In BLISS-LN werd volgende schema gebruikt:
PM: in plaats van maandelijks belimumab 10 mg/kg kan wekelijks 200 mg subcutaan gegeven worden.
Op basis van farmacokinetische studies wordt ervan uit gegaan dat subcutane toediening even effectief zal zijn als de geteste intraveneuze toediening.
Open label extensie studies hebben geen nieuwe veiligheidssignalen laten zien bij gebruik van belimumab gedurende 8-13 jaar.
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
Practice Point 10.2.3.1.6: Other therapies, such as azathioprine or leflunomide combined with glucocorticoids, may be considered in lieu of the recommended initial drugs for proliferative LN in situations of patient intolerance, lack of availability, and/or excessive cost of standard drugs, but these alternatives may be associated with inferior efficacy, including increased rate of disease flares and/or increased incidence of drug toxicities.
Onderbouwing:
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
In de Nederlandse praktijk is leflunomide gebruik niet aan te raden, mede omdat het langdurig voor (poging tot) conceptie moet zijn gestopt.
Practice Point 10.2.3.1.7. Newer biologic and non-biologic therapies are under development and may offer future options for the treatment of active LN. Rituximab may be considered for patients with persistent disease activity or inadequate response to initial standard-of-care therapy.
Onderbouwing:
In fase 2 en 3 onderzoeken kon geen superioriteit ten opzichte van placebo worden aangetoond voor anti-B-cel therapie (rituximab en ocrelizumab), costimulatie blokkade (abatacept) of anti-IL6 antilichamen (sirukumab) ondanks betere onderdrukking van anti-dsDNA en complementactivatie.
In één kleine single-center pilot studie met een steroïdvermijdend schema met MPAA resulteerde rituximab behandeling na 1 jaar tot 52% complete remissies en 34% partiële remissies.
In NOBILITY fase 2 studie resulteerde toevoeging van het sterker bindende anti-CD20 monoclonaal antilichaam obinutuzumab aan MPAA en prednison na 2 jaar in beduidend hogere complete renale respons van 54% vs. 29% bij placebo.
Eveneens in fase 2 onderzoek was anifrolumab (humaan monoclonaal antilichaam dat bindt aan type I interferon receptor unit 1) numeriek hogere renale respons van 46% vs. 31% bij placebo.
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
10.2.3.2 Maintenance therapy for Class III and Class IV lupus nephritis (fig 8)
| Recommendation 10.2.3.2.1: We recommend that after completion of initial therapy, patients should be placed on MPAA for maintenance (1B). |

Figure 8 | Recommended options of maintenance therapy for Class III and Class IV lupus nephritis. The target ranges of calcineurin inhibitors (CNIs) have been based on the transplant literature. The Kidney Disease: Improving Global Outcomes (KDIGO) Work Group acknowledges that targets for glomerular diseases are not known. Most clinicians check these levels to verify adherence and avoid CNI toxicity. At present, the most reasonable dosing of a CNI may be to titrate in the individual patient to obtain the desired effect on proteinuria, balancing dose escalation against serum creatinine level, reducing the dose if the serum creatinine level increases but does not plateau or increases to over 30% of baseline. If the serum creatinine level does not fall after dose reduction, the CNI should be discontinued. MPAA, mycophenolic acid analogs.
Onderbouwing:
Voorkomen van relapses leidt tot minder additionele renale schade en minder snelle progressie tot nierfalen. Onderhoudsbehandeling start meestal na 3-6 maanden intensieve inductiebehandeling op moment dat slechts 10-40% complete klinische remissie heeft bereikt.
Onder andere de ALMS trial heeft aangetoond dat gereduceerde dosis MPAA in de meeste etnische groepen risico op relapse sterker vermindert dan azathioprine en daarnaast minder toxisch is dan cyclofosfamide. Alleen in de MAINTAIN trial in voornamelijk Kaukasische patiënten en inductiebehandelingmet cyclofosfamide was er geen verschil in relapses tussen MPAA en azathioprine. Zowel in ALMS als MAINTAIN waren er meer bijwerkingen bij azathioprine, waaronder cytopenie en verhoogde leverenzymen.
Bij patiënten op triple immuunsuppressie met CNI of belimumab naast lage doseringen steroïden en MPAA of azathioprine (figuur 8 en 9) zijn gunstige resultaten van continueren van deze therapie gerapporteerd, maar optimale duur van dergelijke onderhoudsbehandeling is nog onzeker.

Figure 9 | Maintenance immunosuppressive regimens in patients with lupus nephritis. AURORA, Aurinia Renal Response in Active Lupus with Voclosporin; BLISS-LN, Efficacy and Safety of Belimumab in Patients with Active Lupus Nephritis; CNI, calcineurin inhibitor; MPAA, mycophenolate acid analogs.
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
Practice Point 10.2.3.2.1: Azathioprine is an alternative to MPAA after completion of initial therapy in patients who do not tolerate MPAA, who do not have access to MPAA, or who are considering pregnancy.
Onderbouwing:
Azathioprine is een goed alternatief bij intolerantie voor MPAA en kan ook overwogen worden voor de zeer lange termijn aangezien de meeste flares worden gezien bij een duur van MPAA behandeling <2 jaar.
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
Azathioprine is een geschikt alternatief, bijvoorbeeld bij intolerantie voor MPAA en/of zwangerschapswens. Dit kan, indien nodig, gecombineerd worden met een CNI bij een zwangerschapswens.
Practice Point 10.2.3.2.2: Glucocorticoids should be tapered to the lowest possible dose during maintenance, except when glucocorticoids are required for extrarenal lupus manifestations; discontinuation of glucocorticoids can be considered after patients have maintained a complete clinical renal response for ≥12 months.
Onderbouwing:
Ter preventie van steroïden geassocieerde bijwerkingen dient gestreefd te worden naar prednison dosis ≤7.5 mg aan einde van inductiebehandeling en zeer geleidelijk verdere vermindering tot minimale dosis onder nauwe klinische surveillance. Pas één jaar na bereiken van complete klinische respons kan overwogen worden om de steroïden helemaal te stoppen en monotherapie met MPAA of azathioprine te continueren
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
In de Nederlandse praktijk wordt nagestreefd om een zo laag mogelijk (cumulatief) schema te hanteren wat betreft corticosteroïden, zie ook adviezen bij Practice Point 10.2.3.1.1.
De duur van onderhoudsdosering met 2.5-5 mg per dag is niet evidence based. Er kan worden overwogen dit al te stoppen, als er een complete remissie is bereikt, na 6 maanden. Advies om te streven corticosteroïden te stoppen na 12 maanden.
Practice Point 10.2.3.2.3: The dose of mycophenolate mofetil (MPAA) in the early maintenance phase is approximately 750–1000 mg twice daily, and for mycophenolic acid (MPA), approximately 540–720 mg twice daily.
Onderbouwing:
Aanbevolen doseringen zijn gebaseerd op de doseringen uit ALMS en MAINTAIN trials.
Bij significant verminderde nierfunctie kan het nodig zijn dosis te verminderen omdat deze groep patiënten gevoeliger zijn voor bijwerkingen van MPAA.
Therapeutic drug monitoring kan zinvol zijn bij patiënten met onbevredigende respons op behandeling of onverwachte bijwerkingen bij normale dosis
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
Een eventuele dosisverlaging van MPAA dient te worden overwogen bij een laag gewicht (< 50 kg) of personen die de dosering niet verdragen. Ondanks weinig klinische evidence kan een AUC van 35-45 mg*uur/liter of dalspiegel 3.0-4.5 mg/l inzicht geven in de blootstelling.
Practice Point 10.2.3.2.4: The total duration of initial immunosuppression plus combination maintenance immunosuppression for proliferative LN should be ≥36 months.
Onderbouwing:
Optimale duur van onderhoudsbehandeling is onbekend. Matig bewijs suggereert een verhoogde kans op relapse als de onderhoudsbehandeling binnen 3 jaar gestopt wordt. KDIGO adviseert derhalve alleen bij patiënten met complete renale respons en afwezigheid van extrarenale manifestaties te overwegen onderhoudsbehandeling te staken na minimaal 3 jaar totale behandeling (inductie + onderhoud).
Ondanks meer dan 36 maanden immunosuppressie en meer dan 12 maanden complete klinische renale respons, vertoont 28%–50% van de patiënten nog steeds tekenen van ontstekingsactiviteit bij een herhaalde nierbiopsie. Patiënten met aanhoudende histologische activiteit hebben een verhoogd risico op een relapse na het stoppen van de onderhoudsbehandeling, vergeleken met patiënten zonder resterende ontstekingsactiviteit in nierbiopt.
Bij partiële remissie wordt meestal onderhoudsbehandeling gecontinueerd. Nierbiopsiestudies laten zien dat veel van deze patiënten geen actieve ontsteking meer hebben, maar vanwege aanhoudende proteïnurie klinisch als slechts gedeeltelijk in remissie worden beschouwd. Bij deze patiënten is de proteïnurie echter waarschijnlijk uiting van persisterende chronische nierschade. Herhaling van nierbiopsie kan derhalve bij dergelijke patiënten zinvol zijn om te beslissen of onderhoudsbehandeling relatief veilig gestaakt kan worden.
Hoewel de optimale duur van onderhoudsbehandeling voor proliferatieve LN onbekend is, hebben de meeste patiënten meer dan drie jaar therapie nodig. Klinische respons en histologische activiteit komen niet altijd overeen. Een herhaalde nierbiopsie kan helpen bij de beslissing om onderhoudsbehandeling voort te zetten of te stoppen.
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
De optimale duur van onderhoudsbehandeling is onbekend. We kunnen ons vinden in het KDIGO advies om ≥36 maanden onderhoudsbehandeling te geven. Indien er nog steroïden worden gebruikt na 36 maanden, is het advies deze als eerste af te bouwen.
Aanhoudend positieve anti-dsDNA, een verlaagd serum complement en endocapillaire hypercellulariteit bij een herhaalde nierbiopsie worden geassocieerd met een verhoogd risico op een opvlamming. Er is echter nog onvoldoende bewijs voor het verrichten van een standaard herhaalde nierbiopsie voor het staken van de onderhoudsbehandeling. Indien een herhaalde nierbiopsie is verricht 36-42 maanden na start behandeling, kan bij complete histologische remissie (activiteitsindex 0) de immunosuppressieve behandeling onder strikte controle worden afgebouwd tot stop. Voor een activiteitsindex van 1 of 2 zijn er nog geen uitkomst gegevens bekend. Bij een activiteitsindex >2 wordt staken van onderhoudsbehandeling afgeraden vanwege een hoog risico op opvlamming (E. Frangou et al., JASN 2024).
Practice Point 10.2.3.2.5: Patients treated with triple immunosuppressive regimens that include belimumab or a CNI in addition to standard immunosuppressive therapy can continue with a triple immunosuppressive regimen as maintenance therapy (Figure 9).
Onderbouwing:
Belimumab: in de fase 3 BLISS-LN inclusief extensie bleek onderhoudsbehandeling met belimumab, lage dosis corticosteroïden en MPAA of azathioprine gedurende 2.5 jaar effectief en veilig met laagste aantal nadelige nefrologische eindpunten en betere nierfunctie.
Voclosporine: in de fase 3 AURORA 1 en extensie AURORA 2 bleek 3 jaar behandeling met voclosporine, MPAA en minimale dosis corticosteroïden veilig en te resulteren in persisterende reductie van proteïnurie en stabiele nierfunctie.
Tacrolimus: in een Chinese studie bleek de combinatie van fixed dosis tacrolimus, gereduceerde dosis MPAA en corticosteroïden even effectief als standaard dubbel therapie met sequentieel cyclofosfamide en azathioprine in combinatie met corticosteroïden met vergelijkbare percentages remissie rond 80% en lage relaps van 5.5% en lagere uitval door bijwerkingen van 1.7% ten opzichte van 8.9% bij standaard therapie.
Volgens KDIGO suggereren deze resultaten dat onderhoudsbehandeling met triple immuunsuppressie met belimumab of CNI veilig gecontinueerd kan worden gedurende 2-3 jaar.
Commentaar:
NFN praktijkadvies:.
De duur van triple therapie, gebaseerd op de studies, is 2-2.5 jaar voor belimumab, 1-3 jaar voor de CNI’s en maximaal 1 jaar voor obinutuzumab. Er is geen bewijs dat langer triple therapie gunstig is, net zozeer dat er geen bewijs is dat kortere duur van triple therapie even effectief is. We adviseren, na het minimaliseren van de steroïden, om bij een goede klinische en serologische respons te overwegen om de CNI, belimumab of obinutuzumab eerder te staken. Zie ook practice point 10.2.3.2
Practice Point 10.2.3.2.6: If MPAA and azathioprine cannot be used for maintenance, CNIs or mizoribine or leflunomide can be considered (Figure 9).
Onderbouwing:
Als zowel MMAA als azathioprine niet gebruikt kunnen worden voor onderhoudsbehandeling kunnen onderstaande alternatieven overwogen worden, allen in combinatie met lage dosis corticosteroïden:
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
Practice Point 10.2.4.1: A suggested approach to the management of patients with pure Class V LN is described in Figure 10.

Figure 10 | Management of patients with pure Class V lupus nephritis.
Onderbouwing:
Klasse V LN komt voor bij 5-10% van de LN-patiënten en de behandeling is grotendeels gebaseerd op beperkte gegevens uit kleine RCT’s, geanalyseerde datasets, en observationele studies. De behandeling van Class V LN zonder proliferatieve afwijkingen in de nierbiopsie wordt voornamelijk bepaald door de ernst van de proteïnurie. Bij 10-30% van de patiënten leidt klasse V LN uiteindelijk tot nierfalen, waarbij de ernst van proteïnurie het risico op progressie bepaalt. Ernstige proteïnurie en nefrotisch syndroom remitteert meestal niet spontaan en verhoogt het risico op infecties, cardiovasculaire morbiditeit en trombose. Trombosereductie bij aanhoudende proteïnurie moet in overweging worden genomen, zie hoofdstuk 1 van KDIGO Guideline on Glomerular Diseases.
Door het beperkte aantal RCT’s met slechts kleine sample sizes is er geen evident bewijs om een keuze te maken tussen de volgende opties:
Er is een gebrek aan robuuste data voor de behandeling van klasse V lupus nefritis, vooral bij patiënten die zich presenteren met nefrotisch syndroom. De tot nu toe beschikbare gegeven suggereren dat van het combineren van glucocorticoïden met MPAA, een CNI, of kortdurend cyclofosfamide de voorkeur verdienen boven de andere opties
Bij patiënten met nefrotische range proteïnurie suggereert KDIGO dat MPAA een redelijke eerste keuze is. Als dit ineffectief is zou maximaal 6 maanden cyclofosfamide overwogen kunnen worden. Bij eerdere expositie aan cyclofosfamide of weerstand van de patiënt tegen cyclofosfamide zouden langdurige behandeling met CNI of rituximab geprobeerd kunnen worden.
Bij patiënten met persisterende proteïnurie >1 g/dag zonder nefrotische range proteïnurie dienen voordelen van behandeling afgewogen te worden tegen de risico’s waarbij ernst en progressie van de proteïnurie een belangrijke factor is.
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
10.2.5.1 Assessing treatment response in LN
Practice Point 10.2.5.1.1: Definitions of response to therapy in LN used in clinical trials are provided in Figure 11.

Figure 11 | Definitions of response commonly used in clinical trials of lupus nephritis. *For children <18 years old, complete response is defined as proteinuria <0.5 g/1.73 m2 per day or <300 mg/m2 per day based on a 24-hour urine specimen. eGFR, estimated glomerular filtration rate; PCR, protein–creatinine ratio.
Onderbouwing:
In klinische studies over LN wordt de behandelingsrespons vooral beoordeeld op basis van een vermindering van proteïnurie en stabilisatie of verbetering van de nierfunctie. Uit diverse observationele studies blijkt dat patiënten die goed reageren op de behandeling een gunstiger lange-termijn renale prognose hebben. Echter, omdat er geen universeel geaccepteerde criteria bestaan voor het gewenste niveau van verbetering, is het vergelijken van verschillende studies uitdagend.
Er is geen consensus over het beste moment om de respons te evalueren. Om logistieke en economische redenen wordt klinische respons in klinische trials meestal bepaald na 6-12 maanden, maar er zijn grote interindividuele verschillen in interval tot optreden van respons. In de dagelijkse praktijk kan 18-24 maanden gewacht worden op complete respons zo lang als er continue verbetering optreedt en dient zo nodig al veel eerder actie ondernomen te worden bij uitblijven van verbetering.
Twee grote Europese observationele studies suggereren dat lange termijn behoud van nierfunctie veel beter is in patiënten die reageren op behandeling, waarbij afname van proteïnurie tot 0.7-0.8 g/dag na 12 maanden in de praktijk een goede maat is (overeenkomstig PERR = Primary Efficacy Renal Response). Post hoc analyse van de ALMS trial suggereert dat normalisatie van complement en ≥25% reductie van proteïnurie na 8 weken behandeling gunstige renale uitkomsten voorspelden.
Omdat LN-respons momenteel enkel klinisch wordt beoordeeld, en er aanwijzingen bestaan dat intrarenale lupus-activiteit kan aanhouden ondanks afname van proteïnurie en stabiele eGFR, kan een nierbiopsie nuttig zijn bij belangrijke behandelbeslissingen, zoals het stoppen van immunosuppressiva.
Naast renale respons dienen ook extrarenale manifestaties en tekenen van systemische activiteit van de SLE (bijvoorbeeld gemeten met de SLEDAI index) meegenomen te worden in beslissingen over aanpassing van de behandeling. Veel patiënten blijven positief voor anti-dsDNA en/of houden laag complement ondanks verdwijnen van proteïnurie.
Tot slot dient men bij de behandeling rekening te houden met het risico op CKD-progressie en cardiovasculaire risicofactoren, en bijwerkingen van langdurige behandeling zoveel mogelijk te beperken.
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
Practice Point 10.2.5.2.1: An Algorithmic approach to patients whose response to therapy is deemed unsatisfactory is provided in Figure 12.

Figure 12 | Management of patients who show unsatisfactory response to initial therapy for active lupus nephritis. i.v., intravenous.
Onderbouwing:
In de dagelijkse praktijk is het vaak moeilijk om vast te stellen of de individuele respons op behandeling onvoldoende is, maar bij uitblijven van verbetering of zelfs verslechtering na 3-4 weken behandeling dient nagegaan te worden of er aanwijsbare redenen hiervoor zijn volgens het stappenplan in Figuur 12. Patiënten die wel reageren maar onvoldoende verbetering tonen na 3–4 maanden, kunnen nauwlettend worden geobserveerd. In de ALMS-studie bleek dat verbetering binnen 2 maanden een voorspeller was van een gunstige uitkomst, maar de snelheid en ernst van verslechtering moeten per patiënt worden beoordeeld.
Een veelvoorkomende oorzaak van onvoldoende respons is therapie-ontrouw, wat bij SLE-patiënten vaak voorkomt (meer dan 60%). Het is daarom belangrijk om therapietrouw regelmatig te controleren. Wanneer therapie-ontrouw vermoed wordt, kan dit een goede reden zijn om plasmaspiegels van MPAA te controleren en zo nodig over te gaan op parenterale therapie zoals i.v. cyclofosfamide.
Er zijn geen bewezen behandelingsopties voor refractaire SLE, waarbij onder andere late effect van ingezette behandeling de beoordeling van effectiviteit van rescue behandeling bemoeilijkt. Beschikbare data komen voornamelijk uit observationele studies met beperkte groottes. Voor patiënten met aanhoudende ziekteactiviteit kan wisselen van behandelregime een optie zijn, hoewel het effect hiervan niet formeel is onderzocht. Naast switch van MPAA naar cyclofosfamide of vice versa kan rituximab overwogen worden. Observationele studies rapporteren responspercentages van 50%–80% en een meta-analyse (31 studies, 1112 patiënten) toonde volledige en partiële responspercentages van respectievelijk 46% en 32%. Andere biologicals, zoals obinutuzumab en belimumab, laten ook veelbelovende resultaten zien in recente studies en vereisen nader onderzoek. Innovatieve therapieën, zoals anti-CD19 CAR-T-celtherapie, worden momenteel onderzocht en bieden mogelijk nieuwe opties voor patiënten met refractaire LN.
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
Het advies is om de behandeling van refractaire LN / SLE multidisciplinair te bespreken met collega’s, indien nodig multidisciplinair bijvoorbeeld met een erkend expertisecentrum. Er dient dan ook overwogen te worden of eventuele deelname aan lopende studies of gebruik van (off-label) biologicals mogelijk zijn.
10.2.5.3 Treatment of LN relapse
Recidieven van LN komen veel voor en verhogen het risico op slechte lang termijn renale uitkomsten.
De kans op een LN-opvlamming varieert tussen 10% en 50%, en patiënten die geen complete remissie bereiken, lopen een verhoogd risico op recidief. Het tijdsinterval tot recidief is gemiddeld 36 maanden na volledige respons en 18 maanden na een partiële respons.
Practice Point 10.2.5.3.1: After a complete or partial remission has been achieved, LN relapse should be treated with the same initial therapy used to achieve the original response, or an alternative recommended therapy.
Onderbouwing:
Er zijn geen specifieke data over het behandelen van LN-opvlammingen. In principe is er geen verschil in behandeling van lupus nefritis flare en de novo lupus nefritis en alle klinische trials hebben beide types patiënten geïncludeerd. Toch dient er met een factoren rekening te worden gehouden bij behandelkeuze:
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
In de Nederlands praktijk adviseren we om bij een flare te starten met triple therapie.
Voor details over deze combinaties en adviezen afhankelijk van specifieke patiënten karakteristieken, zie het advies bij 10.2.3.1.
Practice Point 10.3.1.1: Patients with LN and thrombotic microangiopathy (TMA) should be managed according to the underlying etiology of TMA, as shown in Figure 13.

Figure 13 | Management of patients with lupus nephritis and thrombotic microangiopathy (TMA). Bendapudi PK, Hurwitz S, Fry A, et al. Derivation and external validation of the PLASMIC score for rapid assessment of adults with thrombotic microangiopathies: a cohort study. Lancet Haematol. 2017;4:e157–e164.1 ADAMTS13, a disintegrin and metalloproteinase with a thrombospondin type 1 motif, member 13; PLASMIC, Platelet count, combined hemoLysis variable, absence of Active cancer, absence of Stem-cell or solid-organ transplant, mean corpuscular volume (MCV), international normalized ratio (INR), Creatinine.
Onderbouwing:
Meest relevante vormen van trombotische micro-angiopathie (TMA) bij patiënten met SLE zijn trombotische trombocytopenische purpura (TTP), antifosfolipidensyndroom (APS) en complement-gemedieerde TMA. Andere oorzaken kunnen zijn Shiga-toxine-geassocieerd hemolytisch uremisch syndroom (HUS), infecties, medicatie of maligniteiten. Voor alle vormen van TMA is snelle diagnose door spoedbepaling van de verschillende antistoffen van groot belang en dient bij volwassenen zo nodig in afwachting van uitslagen gestart te worden met behandeling met plasmaferese en glucocorticoïden.
Voor SLE geassocieerde vormen van TMA zijn onderstaande overwegingen van belang:
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
We verwijzen naar de Nederlandse richtlijn Trombotische micro-angiopathie (Trombotische microangiopathie – MEDonline publisher) voor de verdere diagnostiek en behandeling van de TMA.
TMA ten gevolge van SLE is een secundaire TMA, waardoor Eculizumab niet wordt vergoed voor deze indicatie, ook niet na overleg met de landelijke werkgroep CaHUS.
Practice Point 10.3.2.1: Patients with active LN should be counseled to avoid pregnancy while the disease is active or when treatment with potentially teratogenic drugs is ongoing, and for ‡6 months after LN becomes inactive.
Practice Point 10.3.2.2: To reduce the risk of pregnancy complications, hydroxychloroquine should be continued during pregnancy, and low-dose aspirin should be started before 16 weeks of gestation.
Practice Point 10.3.2.3: Glucocorticoids, hydroxychloroquine, azathioprine, tacrolimus, and cyclosporine are considered safe immunosuppressive treatments during pregnancy.
Onderbouwing:
Bij vrouwelijke patiënten met actieve lupus nefritis is er een duidelijk slechtere uitkomst van zwangerschap met vaker pre-eclampsie, vroeggeboorte en intra-uteriene vruchtdood. Bovendien kan er tijdens zwangerschap een flare optreden (incidentie varieert van 11% tot 28%), vooral bij patiënten met een persisterend verlaagd complement of hoge anti-dsDNA antistoffen.
In het kader van kinderwens zijn onderstaande overwegingen van belang:
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
Practice Point 10.3.3.1: Treat pediatric patients with LN using immunosuppression regimens similar to those used in adults, but consider issues relevant to this population, such as dose adjustment, growth, fertility, and psychosocial factors, when devising the therapy plan.
Onderbouwing:
Circa 20% van SLE wordt gediagnosticeerd vóór de leeftijd van 18 jaar, heeft vaker genetische componenten en lijkt ernstiger beloop te hebben dan bij volwassenen.
Bij adolescenten met SLE en geïsoleerde proteïnurie moet orthostatische of posturale proteïnurie worden uitgesloten, omdat dit fenomeen vaak wordt waargenomen in deze populatie.
Behandeling bij kinderen en adolescenten berust grotendeels op ervaring bij volwassenen en er zijn
géén data die superioriteit van bepaald regime aannemelijk hebben gemaakt. In de praktijk bestaat inductie meestal uit glucocorticoïden met MPAA of cyclofosfamide, en de onderhoudsbehandeling uit MPAA.
Bij de keuze voor behandeling van pediatrische lupus dienen onderstaande aspecten meegenomen te worden:
Kinderen met LN dienen te worden behandeld door kindernefrologen en kinderreumatologen met expertise in SLE, en de expertise van andere professionals, zoals klinisch psychologen, psychiaters of maatschappelijk werkers, kan nuttig zijn.
Commentaar:
Wij hebben ons gericht op de behandeling van volwassen patiënten met LN, derhalve geen aanvullende NFN praktijkadviezen. Er was geen kindernefroloog betrokken bij het tot stand komen van deze NFN richtlijn.
Practice Point 10.3.4.1: Patient with LN who develop kidney failure may be treated with hemodialysis, peritoneal dialysis, or kidney transplantation; and kidney transplantation is preferred to long-term dialysis.
Onderbouwing:
Er zijn geen gegevens die de voorkeur geven aan een bepaalde vorm van dialyse bij nierfalen LN.
Patiënten met LN die hemodialyse ondergaan, vertonen vergelijkbare 3-jaar overlevingspercentages en mortaliteit door cardiovasculaire of infectieuze complicaties in vergelijking met patiënten die peritoneale dialyse ondergaan. Daarom moet de keuze voor niervervangende therapie gepersonaliseerd worden, rekening houdend met de kenmerken en voorkeuren van de individuele patiënt.
Niertransplantatie heeft de voorkeur boven dialyse, met uitkomsten die vergelijkbaar zijn met die van patiënten met nierfalen door andere oorzaken. Getransplanteerde patiënten hebben ook een lagere mortaliteit dan degenen die op dialyse blijven. Klinische uitkomsten zijn beter bij patiënten met een kortere dialyse periode, dus transplantatie kan plaatsvinden zodra er geen aanwijzingen meer zijn voor activiteit van de SLE. Hoewel de activiteit van lupus na het ontstaan van nierfalen meestal afneemt, kunnen patiënten nog steeds flares ervaren, waardoor periodieke monitoring noodzakelijk blijft. LN kan zich opnieuw manifesteren in het niertransplantaat, maar dit risico is laag en flares leiden doorgaans niet tot verlies van het niertransplantaat.
Patiënten met antifosfolipiden antilichamen hebben meer risico op trombosering van shunt of transplantaatnier zodat er bij deze patiënten een indicatie kan zijn voor antistolling met een vitamine K antagonist.
Commentaar:
NFN praktijkadvies:
© 2022. Alle rechten voorbehouden